<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
  <title>DSpace Community:</title>
  <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/1157" />
  <subtitle />
  <id>http://hdl.handle.net/1820/1157</id>
  <updated>2013-05-25T04:21:20Z</updated>
  <dc:date>2013-05-25T04:21:20Z</dc:date>
  <entry>
    <title>Ontwerpen en Uitvoeren van een Mobiel Spel op Basis van ARLearn: Effecten op Geleerde Lessen, Intrinsieke Motivatie en Leerresultaten</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4954" />
    <author>
      <name>De Jong, Thies</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4954</id>
    <updated>2013-05-24T00:00:37Z</updated>
    <published>2013-04-08T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Ontwerpen en Uitvoeren van een Mobiel Spel op Basis van ARLearn: Effecten op Geleerde Lessen, Intrinsieke Motivatie en Leerresultaten
Authors: De Jong, Thies
Abstract: Achtergrond&#xD;
Mobiele technologie biedt kansen voor het onderwijs, maar het lijkt onverstandig om deze technologie ‘zomaar’ in te zetten. Een goed ontwerp van leermaterialen is belangrijk om het kleine scherm van mobiele apparaten te compenseren. Ook kan mobiele technologie de gecontroleerde omgeving van een klaslokaal verstoren. Motivatie wordt over het algemeen beschouwd als belangrijk bij het leren. Mogelijk kan het spelen van een mobiel spel leerlingen meer intrinsiek motiveren. Meer intrinsieke motivatie zou vervolgens kunnen leiden tot betere leerresultaten. Dit onderzoek maakt gebruik van smartphones en het programma ARLearn om leerlingen in een buitenschoolse context te begeleiden en te ondersteunen. Het programma ARLearn was op het moment dat dit onderzoek werd gedaan nog in ontwikkeling, en beschikte daardoor nog niet over een auteurstool.  &#xD;
&#xD;
Doel&#xD;
Dit onderzoek wil bijdragen aan de verdere ontwikkeling van mobiel leren en in het bijzonder de ontwikkeling van het programma ARLearn. Daarnaast wil dit onderzoek vaststellen of mobiel leren op basis van een mobiel spel betere resultaten oplevert dan mobiel leren waarbij een identieke opdracht niet als spel wordt uitgevoerd. In het bijzonder wordt gekeken naar leerresultaten in de vorm van kennis en de aanwezige intrinsieke motivatie. &#xD;
&#xD;
Deelnemers, procedure en ontwerp&#xD;
Er zijn 32 VMBO-leerlingen in de leeftijd van vijftien tot en met zeventien benaderd. Het onderzoek kent een deel dat quasi-experimenteel van opzet is en een beschrijvend deel. Er werden twee groepen gevormd. Één groep voerde de opdracht uit als een mobiel spel. Door het beantwoorden van wiskundige vragen konden spelpunten worden verdiend of verloren. Beide groepen zijn op pad gegaan met smartphones waarop het programma ARLearn was geïnstalleerd. Direct na het uitvoeren van de opdracht werd de intrinsieke motivatie en de groei van kennis gemeten. De groei van kennis werd twee tot drie weken later nogmaals gemeten. Gegevens over opgedane ervaringen, tijdsbesteding, de beantwoording van meerkeuzevragen en uitwerkingen op papier zijn verzameld om lessen te leren.  &#xD;
Meetinstrumenten&#xD;
De leerresultaten in de vorm van groei van kennis zijn gemeten met bestaande examenopgaven (CITO). Intrinsieke motivatie is gemeten door middel van de 22 items tellende Intrinsic Motivation Inventory vragenlijst (Ryan &amp; Deci). De meetinstrumenten waarmee de bestede tijd en de ervaren eenvoud van de smartphone - in combinatie met het programma ARLearn - zijn gemeten, zijn eigen ontwerpen (de Jong). Ervaringen werden gemeten doordat leerlingen op de vragenlijst opmerkingen konden maken. De beantwoorde meerkeuzevragen zijn automatisch als score-informatie opgeslagen in het programma ARLearn. De papieren uitwerkingen werden beoordeeld als wel of niet gemaakt. &#xD;
 &#xD;
Resultaten&#xD;
Er zijn geen significante verschillen gemeten tussen de aanwezige intrinsieke motivatie van de leerlingen die het mobiele spel speelden en de leerlingen die het spel niet speelden. Ook de leerresultaten laten geen significante verschillen zien. Van alle leerlingen beoordeelde 90% het werken met de smartphone en het programma ARLearn als eenvoudig. De leerlingen meldden weinig problemen met het uitvoeren van de opdracht. Leerlingen die het mobiele spel speelden voerden de opdracht gemiddeld sneller uit en beantwoordden meer meerkeuzevragen. Deze leerlingen presteerden slechter bij het maken van de verplichte uitwerkingen op papier. &#xD;
&#xD;
Conclusies&#xD;
Er zijn geen significante verschillen gemeten op het gebied van intrinsieke motivatie en leerresultaten. Mogelijk heeft extrinsieke motivatie en de gekozen implementatiemethode van het spel een rol gespeeld. De mogelijke rol van extrinsieke motivatie en de implementatiemethode vragen om meer onderzoek. Ook de bijna significante groei van kennis bij leerlingen die het mobiele spel speelden geeft aanleiding tot vervolgonderzoek. Ervaringen en geleerde lessen kunnen ontwerpers van  onderwijs ondersteunen bij toekomstige ontwerpen en zijn daarom vertaald in praktische richtlijnen.
Description: De Jong, T. (2013). Ontwerpen en Uitvoeren van een Mobiel Spel op Basis van ARLearn: Effecten op Geleerde Lessen, Intrinsieke Motivatie en Leerresultaten. April, 09, 2013, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2013-04-08T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Verschillen tussen Deelnemers aan de Internetinterventie en Deelnemers aan de Schriftelijke Interventie van het Actief Plus Project: Beweeggedrag en Psychosociale en Demografische Determinanten</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4936" />
    <author>
      <name>de Vries, Froukje Sofieke</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4936</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:47Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Verschillen tussen Deelnemers aan de Internetinterventie en Deelnemers aan de Schriftelijke Interventie van het Actief Plus Project: Beweeggedrag en Psychosociale en Demografische Determinanten
Authors: de Vries, Froukje Sofieke
Abstract: Het Actief Plus Project is een advies op maat interventie gericht op het bevorderen en behouden van gezond beweeggedrag bij volwassenen vanaf 50 jaar.&#xD;
Het doel van dit onderzoek was het in kaart brengen van mogelijke verschillen tussen deelnemers aan de schriftelijke interventie en deelnemers aan de internetinterventie van het Actief Plus Project. Inzicht in deze kenmerken zou kunnen bijdragen aan verhoging van het responspercentage.&#xD;
Er hebben 1726 respondenten deelgenomen aan het onderzoek (51.1% vrouw, 48.3% man). De leeftijd van de deelnemers varieerde tussen de 50 en 94 jaar. Twee verschillende condities (internet versus schriftelijk) zijn vergeleken op basis van beweeggedrag, demografische determinanten en psychosociale determinanten voortkomend uit het I Change Model en de Theory of Planned Behavior.&#xD;
Variabelen werden gemeten met behulp van een vragenlijst die is ontwikkeld voor het Actief Plus Follow – up Project (2010). &#xD;
Resultaten laten zien dat beweeggedrag, demografische determinanten en psychosociale determinanten een differentiërende rol spelen tussen de condities. &#xD;
Nader onderzoek zal moeten uitwijzen hoe deze verschillen verklaard kunnen worden. Het rapport wordt afgesloten met aanbevelingen voor vervolgonderzoek.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>De Invloed van Seksdrive op Partnervoorkeuren bij Homoseksuele en Heteroseksuele Mannen</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4935" />
    <author>
      <name>Verheggen, Monique</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4935</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:56Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: De Invloed van Seksdrive op Partnervoorkeuren bij Homoseksuele en Heteroseksuele Mannen
Authors: Verheggen, Monique
Abstract: Seksdrive, de onbewuste behoefte om zich voort te planten, is voor homoseksuele en heteroseksuele mannen gelijk. Bij deze onbewuste behoefte gaat men op zoek naar kenmerken bij een partner die de kans op nakomelingen vergroot. Dit brengt de vraag met zich mee of de seksdrive van homo- en heteroseksuele mannen van invloed is op deze partnerkenmerken. &#xD;
Het doel van dit onderzoek is om meer inzicht te krijgen in de wetenschappelijke kennis wat betreft de relatie tussen seksdrive en de verschillende partnerkenmerken bij homo- en heteroseksuele mannen. &#xD;
De resultaten lieten zien dat er een significant interactie-effect was tussen seksdrive en aard op ‘fysieke aantrekkelijkheid’. Tevens was er sprake van een significant hoofdeffect van seksdrive op de partnerkenmerken ‘fysieke aantrekkelijkheid’ en ‘lichamelijke gezondheid’. Bij ‘fysieke aantrekkelijkheid’ verschilden de groep met een lage seksdrive significant van de groep met een gemiddelde seksdrive, die op zijn beurt weer verschilde van de groep met een hoge seksdrive, en in de verwachte richting. Voor het partnerkenmerk ‘lichamelijke gezondheid’ werd een significant effect aangetoond tussen de groep met de lage en de groep met de hoge seksdrive. Als laatste bleek er een significant hoofdeffect van aard op het partnerkenmerk ‘aardig en begripvol’. In tegenstelling tot de verwachtingen van het onderzoek bleek het kenmerk echter belangrijker voor homoseksuele mannen dan voor heteroseksuele mannen. &#xD;
Samenvattend kan worden gezegd dat de mate van seksdrive deels van invloed is op de partnerkenmerken ‘lichamelijke gezondheid’ en ‘fysieke aantrekkelijkheid’. Tegengesteld aan de verwachtingen van het onderzoek bleek ‘aardig en begripvol’ belangrijker voor homoseksuele mannen.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4934" />
    <author>
      <name>Vangrieken, Caroline</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4934</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:49Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Sekseverschillen in Huilfrequentie en Psychosociale Problemen bij Schoolgaande Kinderen van 6 tot 10 jaar
Authors: Vangrieken, Caroline
Abstract: Uit de literatuurstudie blijkt dat verschillende onderzoeken tot nu de periode tussen 9 jaar en de adolescentie aanduiden als de periode waarin het sekseverschil in huilfrequentie ontstaat. De schoolgaande populatie is echter te weinig onderzocht, waardoor niet uitgesloten kan worden dat het sekseverschil eerder te detecteren is. In dit onderzoek worden drie verbanden nader bekeken. Als eerste wordt het verschil in huilfrequentie tussen meisjes en jongens onderzocht. Het tweede verband is de samenhang tussen psychosociale problemen en huilfrequentie. Tenslotte wordt nagegaan of de samenhang tussen psychosociale problemen en huilfrequentie sterker is voor meisjes dan voor jongens. Het doel van deze studie is het onderzoeken van een sekseverschil in huilfrequentie bij kinderen tussen 6 en 10 jaar op school, evenals een eventuele samenhang van psychosociale problemen en huilen.&#xD;
Nadat 41 leerkrachten verspreid over 10 scholen persoonlijk werden aangesproken, vulden uiteindelijk 37 leerkrachten van 9 scholen de vragenlijsten in. Het gaat om 687 leerlingen tussen 6 en 10 jaar, bestaande uit 371 jongens en 316 meisjes. De resultaten laten zien dat meisjes geen hogere huilfrequentie hebben dan jongens. Er wordt een negatief verband gevonden tussen leeftijd en huilfrequentie. Daarnaast wordt een positief verband gevonden tussen huilfrequentie en psychosociale problemen. Deze positieve samenhang is echter niet sterker voor meisjes dan voor jongens.&#xD;
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen sekseverschil bestaat in huilfrequentie. Naarmate meisjes en jongens ouder worden, wordt er minder gehuild op school. Zowel voor meisjes als voor jongens geldt dat hoe hoger de score op psychosociale problemen, hoe hoger de score op huilfrequentie.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>PrOP Tussen Je Oren. Effectiviteit van een Kortdurende Psychologische Behandeling bij Kinderen en Jongeren gebaseerd op het PrOP-model</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4933" />
    <author>
      <name>van der Stappen, Mariëtte</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4933</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:55Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: PrOP Tussen Je Oren. Effectiviteit van een Kortdurende Psychologische Behandeling bij Kinderen en Jongeren gebaseerd op het PrOP-model
Authors: van der Stappen, Mariëtte
Abstract: Bij kinderen en jongeren met milde psychische problemen is het belangrijk vroegtijdig in te grijpen voordat de klachten verergeren. Door de wachtlijsten in de zorg is dat vaak niet mogelijk. Debruyne, Haeck, Rijnders, Heene en Deveugele (2010b) hebben een kortdurende, generalistische en protocollaire behandeling ontwikkeld bij Indigo Zeeland die als eerstelijnszorg wordt aangeboden. De behandeling is een acht-stappenplan, gebaseerd op cognitieve gedragstherapie, genaamd het PrOP-model.&#xD;
Het doel van dit onderzoek is om de effectiviteit van het stappenplan te meten in de klinische onderzoeksgroep en te vergelijken met een behandeling volgens care as usual en met een controlegroep uit de normale populatie. Er is beoordeeld of de klachten verminderden en de actieve coping vaardigheden zijn toegenomen in deze drie groepen. &#xD;
Diverse klachten in de klinische onderzoeksgroep waren na acht sessies afgenomen en diverse actieve coping vaardigheden waren toegenomen. Na drie sessies waren er geen veranderingen. In de klinische onderzoeksgroep namen de klachten meer af dan in de klinische controlegroep en de actieve coping vaardigheden actief probleemoplossen, cognitief herstructureren en steun zoeken namen meer toe dan in de klinische controlegroep. Ook zijn de verschillen in klachten en copingvaardigheden gemeten tussen de drie condities. Het totale klachtenniveau bleek meer te zijn verminderd in de klinische onderzoeksgroep dan in de klinische controlegroep: specifiek de gedragsproblemen bleken hier meer verminderd te zijn. In de niet-klinische controlegroep was het totale klachten niveau het minst verminderd.  De emotionele problemen waren meer verminderd in de klinische onderzoeksgroep dan in de niet-klinische controlegroep; bij de andere subschalen waren er geen veranderingen. Het zoeken van steun verbeterde meer in de klinische onderzoeksgroep dan in de klinische controlegroep en het minst in de niet-klinische controlegroep. Actief probleemoplossen verbeterde meer in de klinische onderzoeksgroep dan in de niet-klinische controlegroep. &#xD;
Het stappenplan lijkt een effectieve methode om klachten te verminderen en coping toe te laten nemen bij kinderen met milde psychische problemen; de behandeling lijkt effectiever dan care as usual en geen behandeling. Wel is voorzichtigheid geboden bij deze conclusie, want het onderzoek kent een aantal methodologische tekortkomingen zoals kleine steekproefgrootten in de klinische onderzoeks- en controlegroep, een verschil in aantallen in de drie condities, de quasi-experimentele onderzoeksopzet en lage betrouwbaarheid op de schaal gedragsproblemen. Een grootschaliger vervolgonderzoek wordt dan ook aanbevolen.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>De Invloed van Ouders op de Extrinsieke Contingente Zelfwaardering van het Kind</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4932" />
    <author>
      <name>Spannenberg-Knol, Lisette</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4932</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:55Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: De Invloed van Ouders op de Extrinsieke Contingente Zelfwaardering van het Kind
Authors: Spannenberg-Knol, Lisette
Abstract: Dit onderzoek richtte zich op de invloed van ouders (opvoedstijl en zelfwaardering van de ouder) op de extrinsieke contingente zelfwaardering van kinderen. Bij extrinsieke contingente zelfwaardering is de zelfwaardering gebaseerd op externe standaards, zoals succesvolle prestaties en sociale goedkeuring. De onderzoeksgroep bestond uit 172 basisschoolkinderen uit groep 7 en 8, 142 moeders en 118 vaders. Zowel de kinderen als de ouders hebben een vragenlijst ingevuld die stellingen bevatte over de globale zelfwaardering, de contingente zelfwaardering en de (waargenomen) opvoedstijl. Het opvoedconcept psychologische controle van beide ouders correleerde positief met de extrinsieke contingente zelfwaardering van het kind (zowel bij jongens als meisjes). Extrinsieke contingente zelfwaardering van de moeder en extrinsieke contingente zelfwaardering van het kind waren eveneens positief aan elkaar gerelateerd (zowel bij jongens als meisjes). Extrinsieke contingente zelfwaardering van de vader correleerde alleen positief met de extrinsieke contingente zelfwaardering van meisjes (niet van jongens). Tenslotte voorspelde de extrinsieke contingente zelfwaardering van moeder, maar niet van vader, de extrinsieke contingente zelfwaardering van jongens (niet van meisjes), bovenop de opvoedstijl. De bevindingen uit het huidige onderzoek pleiten voor oudertrainingen waarin ouders bewust gemaakt worden van het effect van psychologische controletechnieken op de zelfwaardering van hun kind. Daarnaast zijn therapeutische interventies nuttig die extrinsieke contingente zelfwaardering in ouders reduceren, omdat dit van invloed is op de extrinsieke contingente zelfwaardering van kinderen.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>De Invloed van Seksdrive op Drie Typen Jaloezie  en het Effect van Sekse en Introversie versus Extraversie</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4931" />
    <author>
      <name>van der Sande, Annet</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4931</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:55Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: De Invloed van Seksdrive op Drie Typen Jaloezie  en het Effect van Sekse en Introversie versus Extraversie
Authors: van der Sande, Annet
Abstract: Seksuele selectie leidt tot een vorm van drive of motivatie die zichtbaar wordt door gedrag. Binnen dit kader staat deze drive of motivatie bekend als seksdrive (Baumeister, Catanese &amp; Vohs, 2001; Waterink, 2011; Waterink &amp; Van Hooren, 2011). Het huidige cross-sectionele onderzoek richt zich op gedrag dat voortkomt uit evolutionaire processen die worden beïnvloed door seksdrive. Adaptieve mechanismen spelen een rol bij de voortplanting en seksuele selectie (Buss, 2003). In dit onderzoek werden jaloezie en de persoonlijkheidsdimensie introversie versus extraversie benaderd als adaptieve mechanismen.&#xD;
Doordat jaloezie en seksdrive zo sterk gerelateerd zijn aan de voorplanting werd in het huidige onderzoek verwacht dat hier een samenhang zal zijn. Verwacht werd dat hier ook een verschil waarneembaar zou zijn tussen mannen en vrouwen. Eysenck (1971) veronderstelde versterkt seksueel gedrag bij extraverten. In dit onderzoek werd nagegaan in hoeverre extravert gedrag wordt vertoond om de relatie te beschermen.&#xD;
Doel van het onderzoek was meer inzicht te krijgen in biologisch evolutionaire mechanismen die invloed hebben op de menselijk voorplanting. Er werd nagegaan of seksdrive invloed heeft op reactieve, angstige en/of preventieve jaloezie en er werd nagegaan of de persoonlijkheidsdimensie introversie versus extraversie en sekse hierbij een rol spelen.&#xD;
De beoogde onderzoeksgroep waren volwassen heteroseksuele mannen en vrouwen met een vaste relatie in de leeftijd van 18 t/m 65 jaar. Na selectie met deze criteria bleven 416 deelnemers over, waarvan 290 vrouwen en 126 mannen. De gemiddelde leeftijd was 43 jaar; de jongste deelnemer was 20 en de oudste 65 jaar.&#xD;
Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van een eenmalig in te vullen online vragenlijst.&#xD;
Aan ruim 250 respondenten werd via email gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. Een aantal van deze respondenten heeft op verzoek de email weer doorgestuurd naar hun vrienden, familie en bekenden, waardoor er een sneeuwbaleffect ontstond. &#xD;
Om de variabele seksdrive te meten is gebruik gemaakt van de seksdriveschaal (SD-schaal) (Waterink, 2011). De seksdriveschaal bevat twee subschalen, resp. externaliserende en internaliserende gedragingen. De variabelen reactieve, angstige en preventieve jaloezie werden gemeten met de Revised Anticipated Jealousy Scale (RAJS) (Buunk, 1997). De persoonlijkheidsvariabele introversie/extraversie werd gemeten met de introversie/extraversie items van de NEO Five Factor Inventory (NEO-FFI) (Hoekstra, Ormel &amp; De Fruyt, 1996).&#xD;
Uit de resultaten kwam een negatief significant hoofdeffect met reactieve jaloezie naar voren en er bleek een positief significant hoofdeffect met preventieve jaloezie. Er was geen hoofdeffect met angstige jaloezie. Bij preventieve jaloezie bleek sekse een interacterende rol te spelen en was de samenhang sterker voor vrouwen. Bij preventieve jaloezie speelde introversie versus extraversie een interacterende rol en was de samenhang sterker bij extraverten. De gevonden effecten waren over het algemeen relatief klein.&#xD;
Het biologisch evolutionaire mechanisme seksdrive heeft invloed op jaloezie, maar jaloezie blijkt niet in alle gevallen te dienen als beschermend mechanisme voor de relatie. Preventieve jaloezie lijkt wel een beschermende functie te vervullen, bij vrouwen is dit binnen vaste relaties sterker. Tevens kan het toegenomen extraverte gedrag in samenhang met seksdrive en preventieve jaloezie mogelijk verklaard worden door feit dat hier meer beschermend gedrag vertoond moet worden, omdat de relatie als meer bedreigd wordt ervaren dan bij de andere twee jaloezievormen.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Ik voel niets maar eigenlijk alles: Verbanden tussen Alexithymie, Somatisatiestoornis en Depressie</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4930" />
    <author>
      <name>Püchler – Lücke, Anne</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4930</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:55Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Ik voel niets maar eigenlijk alles: Verbanden tussen Alexithymie, Somatisatiestoornis en Depressie
Authors: Püchler – Lücke, Anne
Abstract: Het doel van de huidige studie is verbanden tussen alexithymie, somatisatie en depressie te analyseren. Vervolgens werd onderzocht of depressie een modererende en/of mediërende invloed uitoefent op het verband tussen alexithymie en somatisatie. Patiënten van de ambulante psychosomatische kliniek AHG - Düsseldorf, Duitsland (N = 113) namen deel aan de survey die bestond uit drie vragenlijsten (TAS-26, SCL-90 subschaal ‘Somatisierung’ en de BDI-II). Er werden hiërarchische regressie analyses uitgevoerd om de sterkte van de verbanden te meten. Er werd eveneens een moderatie/mediatie analyse opgesteld van depressie op het verband tussen alexithymie en somatisatie. Uit de analyses blijkt dat er een significant effect is van alexithymie op somatisatie doch dit verband wordt bijna compleet gemedieerd door depressie. Voor de praktijk betekend dit dat het raadzaam is om bij een somatisatiestoornis te testen op alexithymie, omdat een verhoogde score op alexithymie leidt tot een verhoogd aantal somatische symptomen. Ook bij patiënten met een depressie wordt aangeraden om te testen op alexithymie omdat hierdoor een meer gedifferentieerd beeld van de patiënt verkregen wordt. Het valt aan te bevelen om in de toekomst deze verbanden in een longitudinale opzet verder te onderzoeken. Een verbeterd inzicht op dit vlak kan ervoor zorgen dat therapieën afgestemd kunnen worden op de specifieke groep van alexithymine personen.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>De Relatie tussen Globale Zelfwaardering, Seksuele Assertiviteit en Seksuele Voldoening</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4929" />
    <author>
      <name>van der Ploeg-Woudstra, M.E.</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4929</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:57Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: De Relatie tussen Globale Zelfwaardering, Seksuele Assertiviteit en Seksuele Voldoening
Authors: van der Ploeg-Woudstra, M.E.
Abstract: Deze studie onderzocht de relatie tussen globale zelfwaardering, seksuele assertiviteit en seksuele voldoening. De hypothese voorspelde dat een hogere mate van globale zelfwaardering meer seksuele voldoening uitwerkt en dat daarbij seksuele assertiviteit een mediërende rol speelt. Ook werd getoetst of de invloed van zelfwaardering op seksuele assertiviteit bij mannen anders was dan bij vrouwen. De steekproef bestond uit 55 mannen en 48 vrouwen in de leeftijd van 14 tot 66 jaar, bezoekers van de internet site sexwoordenboek.nl en mensen gerecruteerd uit de sociale omgeving van de onderzoeker. De respondenten vulden een vragenlijst in die algemene zelfwaardering, seksuele assertiviteit en seksuele voldoening mat. De resultaten gaven verbanden aan tussen de drie variabelen, waarbij het verband tussen zelfwaardering en seksuele voldoening bijna geheel werd gemediëerd door seksuele assertiviteit. Geslacht bleek niet van invloed te zijn op het verband tussen globale zelfwaardering en seksuele assertiviteit.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Op Tijd Voorbereid. Effectiviteit van E-learning ter Preventie  van Roken en Alcoholgebruik voor het Voortgezet Speciaal Onderwijs</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4928" />
    <author>
      <name>Oosterik, Marjo</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4928</id>
    <updated>2013-04-24T00:00:55Z</updated>
    <published>2013-04-23T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Op Tijd Voorbereid. Effectiviteit van E-learning ter Preventie  van Roken en Alcoholgebruik voor het Voortgezet Speciaal Onderwijs
Authors: Oosterik, Marjo
Abstract: Er zijn (in zoverre bekend) geen e-learning preventieprogramma’s ontwikkeld over het rookgedrag en alcoholgebruik voor jongeren met een verstandelijke beperking. De vraag is in hoeverre het e-learning preventieprogramma ‘Op tijd voorbereid’ (OTV) geschikt is als preventieprogramma voor het voortgezet speciaal onderwijs (VSO), om te voorkomen dat jongeren gaan roken en alcohol gebruiken.&#xD;
Onderzoek naar de effectiviteit en bruikbaarheid van het preventieprogramma OTV voor leerlingen van het VSO. Tevens geeft het onderzoek informatie over de prevalentie en frequentie van roken en alcoholgebruik in het VSO.&#xD;
Uit het onderzoek blijkt dat de prevalentie van roken (25%) en alcoholgebruiken (59,4%) onder jongeren van het VSO lager ligt dan de prevalentiecijfers in nationaal en internationaal onderzoek onder jongeren. Het programma OTV vergrootte significant de kennis ten aanzien van roken en alcoholgebruik, en had een significant effect op de gedragsdeterminant intentie ten aanzien van roken. Leerlingen hadden na afloop van het programma een hogere intentie om niet te gaan roken, welke in hoge mate gerelateerd is aan het daadwerkelijk niet-roken in de toekomst. Dat betekent dat het programma OTV goed bruikbaar is om in te zetten als preventiemiddel om te voorkomen dat jongeren gaan roken. Er waren geen significante effecten waarneembaar ten aanzien van de gedragsdeterminanten attitude, subjectieve norm, modeling, sociale druk, intentie alcohol. De leerlingen beoordeelden het programma OTV als goed, leuk en interessant.&#xD;
Volgens dit onderzoek is e-learning een geschikte methodiek om in te zetten als preventiemiddel bij jongeren met een licht verstandelijke beperking. Aanbeveling is om het programma af te stemmen op het leerpotentieel van de doelgroep, door het te vereenvoudigen en meer gebruik te maken van verbale ondersteuning. Aanbeveling voor toekomstig onderzoek is dat de effectiviteit van het e-learning programma OTV verder wordt onderzocht bij jongeren met een licht verstandelijke beperking, met als doel de meest effectieve modaliteit van het preventieprogramma voor de doelgroep te ontwikkelen. Onderzoek bij mensen met een verstandelijke beperking vraagt om gevalideerde instrumenten en methodologisch onderzoek, welke meer kennis en inzicht kunnen verschaffen in deze kwetsbare groep.</summary>
    <dc:date>2013-04-23T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
</feed>

