<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
  <title>DSpace Collection:</title>
  <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/983" />
  <subtitle />
  <id>http://hdl.handle.net/1820/983</id>
  <updated>2013-05-25T05:40:33Z</updated>
  <dc:date>2013-05-25T05:40:33Z</dc:date>
  <entry>
    <title>Ontwerpen en Uitvoeren van een Mobiel Spel op Basis van ARLearn: Effecten op Geleerde Lessen, Intrinsieke Motivatie en Leerresultaten</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4954" />
    <author>
      <name>De Jong, Thies</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4954</id>
    <updated>2013-05-24T00:00:37Z</updated>
    <published>2013-04-08T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Ontwerpen en Uitvoeren van een Mobiel Spel op Basis van ARLearn: Effecten op Geleerde Lessen, Intrinsieke Motivatie en Leerresultaten
Authors: De Jong, Thies
Abstract: Achtergrond&#xD;
Mobiele technologie biedt kansen voor het onderwijs, maar het lijkt onverstandig om deze technologie ‘zomaar’ in te zetten. Een goed ontwerp van leermaterialen is belangrijk om het kleine scherm van mobiele apparaten te compenseren. Ook kan mobiele technologie de gecontroleerde omgeving van een klaslokaal verstoren. Motivatie wordt over het algemeen beschouwd als belangrijk bij het leren. Mogelijk kan het spelen van een mobiel spel leerlingen meer intrinsiek motiveren. Meer intrinsieke motivatie zou vervolgens kunnen leiden tot betere leerresultaten. Dit onderzoek maakt gebruik van smartphones en het programma ARLearn om leerlingen in een buitenschoolse context te begeleiden en te ondersteunen. Het programma ARLearn was op het moment dat dit onderzoek werd gedaan nog in ontwikkeling, en beschikte daardoor nog niet over een auteurstool.  &#xD;
&#xD;
Doel&#xD;
Dit onderzoek wil bijdragen aan de verdere ontwikkeling van mobiel leren en in het bijzonder de ontwikkeling van het programma ARLearn. Daarnaast wil dit onderzoek vaststellen of mobiel leren op basis van een mobiel spel betere resultaten oplevert dan mobiel leren waarbij een identieke opdracht niet als spel wordt uitgevoerd. In het bijzonder wordt gekeken naar leerresultaten in de vorm van kennis en de aanwezige intrinsieke motivatie. &#xD;
&#xD;
Deelnemers, procedure en ontwerp&#xD;
Er zijn 32 VMBO-leerlingen in de leeftijd van vijftien tot en met zeventien benaderd. Het onderzoek kent een deel dat quasi-experimenteel van opzet is en een beschrijvend deel. Er werden twee groepen gevormd. Één groep voerde de opdracht uit als een mobiel spel. Door het beantwoorden van wiskundige vragen konden spelpunten worden verdiend of verloren. Beide groepen zijn op pad gegaan met smartphones waarop het programma ARLearn was geïnstalleerd. Direct na het uitvoeren van de opdracht werd de intrinsieke motivatie en de groei van kennis gemeten. De groei van kennis werd twee tot drie weken later nogmaals gemeten. Gegevens over opgedane ervaringen, tijdsbesteding, de beantwoording van meerkeuzevragen en uitwerkingen op papier zijn verzameld om lessen te leren.  &#xD;
Meetinstrumenten&#xD;
De leerresultaten in de vorm van groei van kennis zijn gemeten met bestaande examenopgaven (CITO). Intrinsieke motivatie is gemeten door middel van de 22 items tellende Intrinsic Motivation Inventory vragenlijst (Ryan &amp; Deci). De meetinstrumenten waarmee de bestede tijd en de ervaren eenvoud van de smartphone - in combinatie met het programma ARLearn - zijn gemeten, zijn eigen ontwerpen (de Jong). Ervaringen werden gemeten doordat leerlingen op de vragenlijst opmerkingen konden maken. De beantwoorde meerkeuzevragen zijn automatisch als score-informatie opgeslagen in het programma ARLearn. De papieren uitwerkingen werden beoordeeld als wel of niet gemaakt. &#xD;
 &#xD;
Resultaten&#xD;
Er zijn geen significante verschillen gemeten tussen de aanwezige intrinsieke motivatie van de leerlingen die het mobiele spel speelden en de leerlingen die het spel niet speelden. Ook de leerresultaten laten geen significante verschillen zien. Van alle leerlingen beoordeelde 90% het werken met de smartphone en het programma ARLearn als eenvoudig. De leerlingen meldden weinig problemen met het uitvoeren van de opdracht. Leerlingen die het mobiele spel speelden voerden de opdracht gemiddeld sneller uit en beantwoordden meer meerkeuzevragen. Deze leerlingen presteerden slechter bij het maken van de verplichte uitwerkingen op papier. &#xD;
&#xD;
Conclusies&#xD;
Er zijn geen significante verschillen gemeten op het gebied van intrinsieke motivatie en leerresultaten. Mogelijk heeft extrinsieke motivatie en de gekozen implementatiemethode van het spel een rol gespeeld. De mogelijke rol van extrinsieke motivatie en de implementatiemethode vragen om meer onderzoek. Ook de bijna significante groei van kennis bij leerlingen die het mobiele spel speelden geeft aanleiding tot vervolgonderzoek. Ervaringen en geleerde lessen kunnen ontwerpers van  onderwijs ondersteunen bij toekomstige ontwerpen en zijn daarom vertaald in praktische richtlijnen.
Description: De Jong, T. (2013). Ontwerpen en Uitvoeren van een Mobiel Spel op Basis van ARLearn: Effecten op Geleerde Lessen, Intrinsieke Motivatie en Leerresultaten. April, 09, 2013, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2013-04-08T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Te Oud om te Leren? Een Onderzoek naar de Deelname van Oudere Werknemers aan Bedrijfsopleidingen</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4845" />
    <author>
      <name>Gouweloose, Wouter</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4845</id>
    <updated>2013-03-27T01:00:47Z</updated>
    <published>2013-03-01T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Te Oud om te Leren? Een Onderzoek naar de Deelname van Oudere Werknemers aan Bedrijfsopleidingen
Authors: Gouweloose, Wouter
Abstract: Te Oud om te leren?&#xD;
Een Onderzoek naar de Deelname van Oudere Werknemers aan Bedrijfsopleidingen&#xD;
Wouter Gouweloose&#xD;
Achtergrond. Na de meeste Europese regeringen wil nu ook de Belgische regering dat oudere werknemers langer aan de slag te blijven. Daarbij rijst de vraag of opleidingen en trainingen de motivatie en de inzetbaarheid van oudere werknemers kunnen bevorderen. Er kan worden vastgesteld dat oudere werknemers amper aan opleiding participeren. Literatuuronderzoek leert ons echter dat opleidingsmotivatie bij werknemers essentieel is voor hun employability, de duurzame inzetbaarheid van de werknemer, door een optimaal gebruik van zijn competenties. Die motivatie om een opleiding te volgen, blijkt te ontstaan uit motivatie voor het werk en zal mee bepaald worden door de manier waarop de opleiding gegeven wordt. Er is echter nog weinig onderzoek verricht naar bedrijfsopleidingen voor oudere werknemers vanuit het perspectief van de werknemer zelf. &#xD;
Doel. Het doel van dit onderzoek is dan ook tweeledig. Enerzijds wordt nagegaan of er inderdaad een samenhang is tussen enthousiasme en engagement voor het werk en opleidingsmotivatie van de werknemer, anderzijds willen we onderzoeken hoe de oudere werknemer de opleiding ontworpen wil hebben. &#xD;
Deelnemers en procedure. Dit onderzoek werd uitgevoerd bij bediendes uit de logistieke sector in Vlaanderen. Om ook de visie van de werkgevers over oudere werknemers en opleiding binnen de logistieke sector te kennen, werden verschillende HR-managers uit de sector geïnterviewd. Naar de mening van de werknemers werd gepeild met behulp van een enquête, die door 212 mensen werd beantwoord. Van de respondenten behoorde 23% tot de leeftijdscategorie 50 en ouder. Het responspercentage over de bekende groep van respondenten bedroeg ca. 30%.&#xD;
Meetinstrumenten. Om enthousiasme en engagement in het werk te meten, werden de vragen uit het werk Content Questionnaire (Houtman, 1995) in de enquête opgenomen. De visie van de werknemers over opleiding werd geïnventariseerd met vragen die voortkwamen uit het onderzoeksmodel van Liu, Courtenay en Valentine (2011). &#xD;
Resultaten. Uit het onderzoek blijkt dat er inderdaad een samenhang is tussen enthousiasme op het werk en de motivatie om een opleiding te volgen. Dit geldt ook voor oudere werknemers als is de samenhang daar minder sterk. Werknemers willen in groep leren, waarbij zij de inbreng van hun ervaring erg belangrijk vinden. Zij willen ook actief betrokken worden bij de opleiding. Naast formele opleiding hecht de werknemer ook veel belang aan informeel leren.&#xD;
Leerbereidheid bij oudere werknemers blijkt nauw samen te hangen met enthousiasme en engagement in het werk. Om oudere werknemers aan de slag te houden is het dan ook essentieel ervoor te zorgen dat die werknemer geëngageerd blijft in zijn job. Een uitdagend takenpakket, een grote zelfstandigheid om die taken uit te voeren en een goede teamgeest, zowel met het management als met de collega’s stimuleren dit engagement. Tevens is een goede loopbaanplanning, waarbij opleiding doelmatig wordt ingezet van groot belang. &#xD;
Sleutelwoorden. Oudere werknemers, bedrijfsopleiding, motivatie, employability, pensioen, engagement
Description: Gouweloose, W. (2013). Te Oud om te Leren? Een Onderzoek naar de Deelname van Oudere Werknemers aan Bedrijfsopleidingen. Maart, 1, 2013, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2013-03-01T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Effectiviteit van een Lessenserie op de Informatievaardigheden en Transfer van groep 7-basisschoolleerlingen</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4844" />
    <author>
      <name>Austin, Levi</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4844</id>
    <updated>2013-03-27T01:00:48Z</updated>
    <published>2013-03-04T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Effectiviteit van een Lessenserie op de Informatievaardigheden en Transfer van groep 7-basisschoolleerlingen
Authors: Austin, Levi
Abstract: Informatie wordt steeds meer op internet opgezocht. Doordat jongeren opgroeien met internet wordt er van uit gegaan dat zij daar vaardig in zijn. Leerlingen verwachten dat internet hun kant en klare antwoorden geeft en vaak accepteren zij informatie vanzelfsprekend als waar. Het zoeken naar informatie is een complex proces waarbij cognitieve vaardigheden een rol spelen. &#xD;
Het doel van dit onderzoek is om een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van theorievorming over het proces van het zoeken van informatie op internet bij leerlingen in het basisonderwijs en een ontwerp voor een lessenserie informatievaardigheden te testen en uit te breiden.&#xD;
Het onderzoek is onderverdeeld in twee studies. Het doel van de eerste studie was om de informatievaardigheden van leerlingen te verbeteren en om na te gaan of er sprake was van transfer . Ook werd er gekeken naar de effectiviteit van de lessenserie. In de eerste studie namen twee groepen 7 uit het basisonderwijs deel. De experimentele groep bestond uit 24 leerlingen. De controlegroep bestond uit 25 leerlingen. Het doel van de tweede studie was om na te gaan wat het effect is van een lessenserie op de informatievaardigheden van leerlingen. In de tweede studie deden negen groepen 7 mee. In deze studie bestond de experimentele groep uit 76 leerlingen. De controlegroep bestond uit 66 leerlingen. In beide studies vond bij de experimentele groepen een interventie plaats in de vorm van een lessenserie. &#xD;
De informatievaardigheden (gepercipieerd) werden gemeten met een voor dit onderzoek ontwikkelde vragenlijst met een vijf-punts- Likertschaal. De informatievaardigheden werden door de leerkrachten beoordeeld met een beoordelingsformulier. Observaties en video-opnames werden gebruikt om inzicht te krijgen in het proces dat zich afspeelt bij informatievaardigheden en om de lessenserie te beoordelen. De transfertaak werd beoordeeld met een observatieformulier.&#xD;
Uit de resultaten van de vragenlijsten bleek dat er een significant verschil is tussen de experimentele groep de controle groep op de onderdelen beoordelen van informatie en reguleren van het proces in de eerste studie en in de tweede studie op het mentaal beeld van internet en marginaal op beoordelen van informatie. Uit de beoordelingen van de leerkrachten bleek dat de leerlingen het meeste moeite hebben met het onderdeel taakdefinitie en het beoordelen van websites. Uit de observaties en video opnames is gebleken dat leerlingen tijdens het zoeken actief bezig zijn met kennisverwerving en daarbij begeleiding nodig hebben van de leerkracht. Ook is gebleken dat het samenwerken essentieel is. Uit de beoordeling van de transfertaak bleek dat de experimentele groep gerichter en kritischer zoekt naar informatie en de informatie beter verwerkt dan de controlegroep.&#xD;
De resultaten leiden tot de conclusie dat de lessenserie ontworpen volgens bepaalde principes effectief is en dat het ertoe geleid heeft dat leerlingen bewuster omgaan met het informatie op internet. De leerlingen zijn tijdens het zoeken actief bezig zijn met kennisverwerving en hebben daarbij begeleiding nodig van de leerkracht . Een eenmalige lessenserie is echter niet toereikend. De vaardigheden moeten regelmatig aan bod komen in het basisonderwijs.
Description: Austin-van Rij, J.J. Effectiviteit van een Lessenserie op de Informatievaardigheden en Transfer van groep 7-basisschoolleerlingen. Maart, 4, 2013, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2013-03-04T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>De invloed van directe instructie woordleerstrategieën op de receptieve woordenschat</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4843" />
    <author>
      <name>Holterman-Nijenhuis, Sharon</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4843</id>
    <updated>2013-03-27T01:00:45Z</updated>
    <published>2013-03-07T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: De invloed van directe instructie woordleerstrategieën op de receptieve woordenschat
Authors: Holterman-Nijenhuis, Sharon
Abstract: Dit onderzoek bestudeert het effect van directe leerkrachtinstructie bij de toepassing van woordleerstrategieën op de receptieve woordenschat van leerlingen. Met het verkregen inzicht wordt bijgedragen aan de vormgeving van effectief woordenschatonderwijs om de woordenschat van leerlingen te bevorderen. &#xD;
De onderzoeksgroep bestaat uit 189 leerlingen uit het primair onderwijs (8-12 jaar). Per leerjaar krijgt de experimentele groep een interventie bestaand uit directe leerkrachtinstructie woordleerstrategieën. In de controlegroep worden geen interventies uitgevoerd, zij ontvangen enkel de reguliere taalinstructie. De hypothesen zijn: (1) Leerlingen die directe instructie ontvangen zullen hoger scoren op receptieve woordenschat dan leerlingen die de instructie niet ontvangen; (2) Er is een hoge correlatie tussen woordenschat, begrijpend lezen en technisch lezen; (3) Oudere leerlingen profiteren meer van de directe instructie dan jongere; en (4) De correlatie tussen woordenschat en begrijpend lezen wordt sterker naarmate leerlingen ouder worden. &#xD;
De resultaten laten zien dat het verschil tussen de experimentele en controle groepen significant is. Hypothese 1 wordt dus bevestigd. Met betrekking tot Hypothese 2, het verband tussen woordenschat en begrijpend lezen is zeer sterk positief; leerlingen die hoger/lager scoren op woordenschat scoren ook hoger/lager op begrijpend lezen. Tussen technisch lezen en woordenschat, en technisch lezen en begrijpend lezen worden geen significante correlaties gevonden. De invloed van leeftijd op de toepassing van woordleerstrategieën – Hypothese 3 – blijkt minimaal te zijn. De correlatie tussen woordenschat en begrijpend lezen blijkt sterker te worden bij het doorlopen van de basisschoolperiode, waardoor Hypothese 4 wordt bevestigd. &#xD;
Dit onderzoek geeft een eerste inzicht in de invloed van directe instructie van woordleerstrategieën op de receptieve woordenschat en de correlatie daarvan met de leesvaardigheid.
Description: De invloed van directe instructie woordleerstrategieën op de receptieve woordenschat. Maart, 07, 2013, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2013-03-07T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Het Linken van Praktijk en Theorie in Pabo-onderwijs</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4805" />
    <author>
      <name>Beckers, Hans</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4805</id>
    <updated>2013-02-13T01:00:47Z</updated>
    <published>2013-02-12T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Het Linken van Praktijk en Theorie in Pabo-onderwijs
Authors: Beckers, Hans
Abstract: Er zijn twijfels over de effectiviteit van lerarenopleidingen op het professionele gedrag van studenten (Grossman, 2008; Korthagen 2010). Theorie komt in lerarenopleidingen aan bod maar wordt niet verankerd in het handelen van studenten. Er is een kloof tussen praktijk en theorie (Broekkamp &amp; van Hout-Wolters, 2007; Burkhardt &amp; Schoenfeld, 2003; Kennedy, 1997; Robinson, 1998). Een opleidingscurriculum volgens de principes van de niveautheorie kan de kloof overbruggen (Korthagen, Kessels, Koster, Langerwerf &amp; Wubbels, 2001).&#xD;
In dit onderzoek is nagegaan of een opleidingsprogramma dat uitgaat van de principes van de niveautheorie er in slaagt om theorie te koppelen aan ervaringen van studenten.&#xD;
In een onderzoeksgroep van 136 eerstejaars Pabo-studenten zijn in een voor- en nameting een casustoets en een kaartsorteeropdracht gemaakt. De casustoets meet in welke mate studenten operationele kennis en conceptuele kennis gebruiken in het beantwoorden van vragen. De kaartsorteeropdracht meet hoe de cognitieve schema’s van studenten ontwikkelen. Met een enquête is gemeten of het opleidingsprogramma in de perceptie van studenten uitgevoerd is volgend de principes van de niveautheorie.&#xD;
Uit de metingen blijkt dat het opleidingsprogramma zorgt voor een koppeling tussen praktijk en theorie, dat cognitieve schema’s van studenten groeien en dat studenten in redelijke mate ervaren dat praktijk en theorie aan elkaar gekoppeld worden.&#xD;
Op basis van de resultaten wordt op de eerste plaats aanbevolen om het curriculum te evalueren en te zoeken naar versterking van de koppeling van praktijk en theorie. Op de tweede plaats wordt aanbevolen om te investeren in professionalisering van didactische vaardigheden van instituutsopleiders. Ten slotte wordt aanbevolen om te investeren in onderzoek naar opleiden op de werkplek.
Description: Beckers, H. (2013). Het Linken van Praktijk en Theorie in Pabo-onderwijs. Februari, 12, 2013, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2013-02-12T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Laid-back of up-tempo? De voorspellende Kwaliteit van het Eerste jaar voor de Studievoortgang in een Conservatorium</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4803" />
    <author>
      <name>Mennen, Josien</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4803</id>
    <updated>2013-02-13T01:00:42Z</updated>
    <published>2013-01-02T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Laid-back of up-tempo? De voorspellende Kwaliteit van het Eerste jaar voor de Studievoortgang in een Conservatorium
Authors: Mennen, Josien
Abstract: In het Nederlandse hoger onderwijs ligt steeds meer druk op opleidingen om de studievoortgang te verbeteren. In het eerste studiejaar wordt het bindend studieadvies (BSA) als selectiemiddel gebruikt om de studievoortgang in het vervolg van de studie te verhogen. Het BSA kan alleen een positief effect hebben op de studievoortgang wanneer het eerste jaar voorspellend is voor het vervolg van de studie. Onderzoek naar de voorspellende waarde van het eerste jaar is met name uitgevoerd in de USA en in het Nederlandse wetenschappelijk onderwijs. &#xD;
Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in het voorspellend karakter van het eerste jaar voor de studievoortgang van conservatoriumstudenten in de daaropvolgende jaren. In deelonderzoek 1 zijn de studievoortganggegevens van 327 studenten uit de cohorten 2005 tot en met 2009 van de opleiding Muziek van het Conservatorium Maastricht bestudeerd om na te gaan of er een relatie is tussen het aantal behaalde European Credits (EC) in het eerste studiejaar en de daaropvolgende jaren. Er is gekeken naar mogelijke effecten van sekse, leeftijd, nationaliteit en studierichting op de studievoortgang. Ook zijn studieonderdelen met lage slaagpercentages (‘struikelvakken’) geïnventariseerd. In deelonderzoek 2 is door middel van een survey bij de zittende studenten (223 studenten) onderzocht in hoeverre het eerste jaar selectief, studeerbaar en inhoudelijk valide is en in hoeverre er sprake is van sociale en academische integratie. In drie groepsinterviews (15 deelnemers) is dieper ingegaan op de resultaten van deelonderzoek 1 en de survey.&#xD;
Er is een positieve samenhang tussen het aantal behaalde EC in jaar 1 en de daaropvolgende jaren. De studievoortgang in jaar 1 wordt beïnvloed door sekse en verschilt per studierichting, maar er is geen significant effect gevonden voor leeftijd en nationaliteit. Het aantal behaalde EC in jaar 1 van vrouwelijke studenten is hoger dan dat van mannelijke studenten; studenten Klassiek halen meer EC in jaar 1 dan studenten van de studierichting Jazz/Pop. Er zijn duidelijk ‘struikelvakken’ te onderscheiden, met name bij de studierichting Jazz/Pop. Zowel de moeilijkheidsgraad als de ervaren relevantie van een studieonderdeel hebben invloed op  slaagpercentages. Een minderheid van de studenten (20,8%) haalt de Propedeuse binnen 1 jaar. Deze groep studeert ook na het eerste studiejaar sneller en vertoont minder uitval dan de andere studenten. De selectiviteit, studeerbaarheid, inhoudelijke validiteit van het eerste jaar en de mate van sociale en academische integratie worden door studenten gemiddeld voldoende gewaardeerd, maar er worden ook aandachtspunten benoemd. &#xD;
Het onderzoek heeft meer inzicht opgeleverd in de voorspellende kwaliteit van het eerste jaar van het Conservatorium Maastricht. Aangezien er een duidelijke relatie is gevonden tussen de studievoortgang in jaar 1 en de daaropvolgende jaren, kan het BSA als selectiemiddel beter worden benut. Voorwaarde is dat struikelvakken en de door de studenten benoemde aandachtspunten worden aangepakt.
Description: Mennen, J. (2013). Laid-back of up-tempo? De voorspellende Kwaliteit van het Eerste jaar voor de Studievoortgang in een Conservatorium. Januari, 2, 2013, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2013-01-02T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Handelingsgericht Werken in het Basisonderwijs; naar een kansrijke strategie</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4502" />
    <author>
      <name>Lijbaart, Joop</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4502</id>
    <updated>2012-11-07T01:01:10Z</updated>
    <published>2012-11-01T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Handelingsgericht Werken in het Basisonderwijs; naar een kansrijke strategie
Authors: Lijbaart, Joop
Abstract: Van leraren wordt in het kader van Passend Onderwijs verwacht dat zij hun onderwijs kunnen afstemmen op de onderwijsbehoeften van alle leerlingen en gedifferentieerd instructie en ondersteuning kunnen geven. Met een traject Handelingsgericht Werken (HGW) ontwikkelen de leraren deze competenties in het geven van gedifferentieerd onderwijs dat aansluit bij het niveau van de kinderen in hun groep. &#xD;
     Het doel van dit onderzoek is kansrijke strategieën in kaart te brengen om Handelingsgericht Werken duurzaam te implementeren op basis van een analyse van het verschil tussen de huidige en gewenste situaties in zesentwintig scholen voor basisonderwijs.&#xD;
      Het onderzoek is uitgevoerd op de scholen en onder de medewerkers van Stichting Scholengroep LeerTij te Hulst (Z). De groep heeft de verantwoording voor ongeveer 2800 leerlingen en 300 medewerkers. Deze zijn verdeeld over 26 scholen in het basisonderwijs die variëren van klein tot middelgroot en groot in de regio Oost- en Midden Zeeuws Vlaanderen. De functiegroepen voor het onderzoek bestaan uit leerkrachten, intern begeleiders en directeuren. De data zijn verzameld met vragenlijsten, focusgroepen en semigestructureerde diepte-interviews om de bevindingen van de vragenlijsten nader te onderzoeken en te analyseren. Er is zowel sprake van methoden- als bronnentriangulatie.&#xD;
     De instrumenten voor dit onderzoek zijn samengesteld door bestudering van de relevante literatuur en hebben relatie met verschillende indicatoren van Handelingsgericht Werken. Als uitgangspunt voor het samenstellen van de instrumenten is een matrix opgesteld waarvan de vier fasen van Handelingsgericht Werken de basis vormen.&#xD;
     Uit het onderzoek blijkt dat aspecten van HGW door het merendeel van de medewerkers in hun huidige praktijk reeds worden geïntegreerd. Over het algemeen vinden medewerkers dat zij over voldoende kennis beschikken om de vier fasen van HGW te doorlopen en getuigen zij van een positieve attitude aangaande HGW. Uit het onderzoek blijkt eveneens dat de begeleiding gedurende het proces door de medewerkers over het algemeen niet altijd als positief ervaren is. &#xD;
     Volgens de uitkomsten van dit onderzoek kan een implementatie op organisatieniveau waarbij een gemeenschappelijk denkkader ontwikkeld wordt en dat daarna gevolgd wordt door een gerichte implementatie op schoolniveau als een kansrijke strategie beschouwd worden.
Description: Lijbaart, J. (2012). Handelingsgericht Werken in het Basisonderwijs; naar een kansrijke strategie. November, 01, 2012, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2012-11-01T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Professionele Leeractiviteiten en Expertise van (V)SO-leerkrachten op de Werkplek. Onderzoek naar de Identificatie van Professionele Leeractiviteiten en de Relatie tussen het Uitvoeren van Professionele Leeractiviteiten op de Werkplek en Expertise van Leerkrachten in het Speciaal Onderwijs, Cluster 3</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4460" />
    <author>
      <name>Brunt-van Leeuwen, Martine</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4460</id>
    <updated>2012-10-26T00:02:13Z</updated>
    <published>2012-10-04T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Professionele Leeractiviteiten en Expertise van (V)SO-leerkrachten op de Werkplek. Onderzoek naar de Identificatie van Professionele Leeractiviteiten en de Relatie tussen het Uitvoeren van Professionele Leeractiviteiten op de Werkplek en Expertise van Leerkrachten in het Speciaal Onderwijs, Cluster 3
Authors: Brunt-van Leeuwen, Martine
Abstract: Leerkrachten in het speciaal onderwijs dienen te beschikken over een zekere mate van expertise om een goede aansluiting te vinden bij de mogelijkheden van leerlingen met een beperking. Expertiseontwikkeling van de leerkracht ontstaat niet alleen door formele scholing, maar ook door leerervaringen in de werksituatie. Het zoeken naar oplossingen voor de complexe problematiek van de leerling vraagt om domeinspecifieke en zelfsturende expertise. Leeractiviteiten op de werkplek ondersteunen het proces van identificeren en oplossen van complexe problemen. Literatuuronderzoek suggereert dat er een relatie bestaat tussen gekozen leeractiviteiten en de expertise van een leerkracht. &#xD;
	In het huidige onderzoek zijn twee studies uitgevoerd. Het doel van studie 1 was het identificeren van professionele leeractiviteiten. Het doel van studie 2 was de analyse van verschillen in leeractiviteiten, domeinspecifieke expertise en zelfgestuurde leerexpertise tussen drie onderwijstypen in het speciaal onderwijs, en de verduidelijking van de relaties tussen onderwijsvormen, leeractiviteiten, domeinspecifieke en zelfgestuurde leerexpertise.&#xD;
	Studie 1 was een kwalitatief onderzoek met een semigestructureerd interview, uitgevoerd bij acht leerkrachten in een school voor mytyl-tyltylonderwijs. Dit vooronderzoek leidde tot een vragenlijst met 53 leeractiviteiten. &#xD;
	Studie 2 was een cross-sectioneel vragenlijstonderzoek onder 113 leerkrachten in negen scholen met de drie onderwijstypen. De vragenlijst omvatte Professionele Leeractiviteiten, Domeinspecifieke Vaardigheden, en Zelfgestuurde Leerexpertise. &#xD;
	Covariantie-analyses gaven aan dat leerkrachten in het mytyl en tyltyl onderwijs significant hoger scoren op zelfgerapporteerde leeractiviteiten dan het ZMLK onderwijs. Stapsgewijze regressieanalyses toonden aan dat het werken in het mytyl en tyltyl onderwijs een positieve voorspeller is van leeractiviteiten. De regressieanalyses suggereerden tevens dat het tyltyl onderwijs een bescheiden positieve voorspeller is van domeinspecifieke expertise. Echter, de leeractiviteiten bleken de positieve relatie tussen tyltyl onderwijs en domeinspecifieke expertise geheel te mediëren. Leeractiviteiten blijken krachtiger voorspellers van domeinspecifieke expertise dan 11 tot 20 jaar werkervaring in het speciaal onderwijs. Vergelijkbare resultaten kwamen voort uit de regressieanalyses van zelfgestuurde leerexpertise. In eerste instantie leken zowel het mytyl als het tyltyl onderwijs positieve voorspellers van zelfgestuurde leerexpertise. Echter, ook nu medieerden de leeractiviteiten de relatie tussen de onderwijsvormen en zelfgestuurde leerexpertise. &#xD;
Het huidige onderzoek heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de expertise theorie en theorieën over professionalisering van leerkrachten. De in de literatuur gesuggereerde relatie tussen leeractiviteiten en expertise is empirisch getoetst met behulp van nieuw ontwikkelde vragenlijsten, die betrouwbaar zijn, een gedegen constructvaliditeit bezitten, en invariant meten. De vragenlijsten voor Leeractiviteiten en Domeinspecifieke Expertise zijn belangrijke nieuwe instrumenten voor de onderzoekspraktijk en onderwijspraktijk. &#xD;
De praktische bijdrage van het onderzoek is dat leerkrachten in het ZMLK onderwijs blijken te kunnen leren van de leeractiviteiten in het tyltyl onderwijs. Het tyltyl onderwijs kan haar eigen leeractiviteiten en domeinspecifieke expertiseniveau verder uitbouwen met leeractiviteiten die zich volgens het Rasch model net boven het huidige tyltyl onderwijsniveau bevinden.&#xD;
Expertiseontwikkeling, Professionele Leeractiviteiten, Werkplekleren, Leren van Leerkrachten, Speciaal Onderwijs
Description: Brunt-van Leeuwen, M. (2012). Professionele Leeractiviteiten en Expertise van (V)SO-leerkrachten op de Werkplek. Onderzoek naar de Identificatie van Professionele Leeractiviteiten en de Relatie tussen het Uitvoeren van Professionele Leeractiviteiten op de Werkplek en Expertise van Leerkrachten in het Speciaal Onderwijs, Cluster 3. Oktober, 4, 2012, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2012-10-04T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>De relatie tussen Percepties van Reformatorische Jongeren over Benaderingswijzen voor Toerusting en Vorming en Identiteitstijlen</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4458" />
    <author>
      <name>Karels, Korstiaan</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4458</id>
    <updated>2012-10-26T00:02:05Z</updated>
    <published>2012-10-01T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: De relatie tussen Percepties van Reformatorische Jongeren over Benaderingswijzen voor Toerusting en Vorming en Identiteitstijlen
Authors: Karels, Korstiaan
Abstract: Achtergrond&#xD;
Reflexiviteit – de mate waarin teams reflecteren en hun planning en actie daarop aanpassen - wordt&#xD;
gezien als de kern van leren op teamniveau. Uit diverse onderzoeken blijkt onder andere (West, 1996)&#xD;
dat reflexieve teams eerder problemen identificeren, beter problemen oplossen en vaardiger&#xD;
groepsbesluiten nemen dan non-reflexieve groepen. De reflexiviteitstheorie van West gaat op voor&#xD;
teams die betrokken zijn bij complexe besluitvormingsprocessen.&#xD;
Doel&#xD;
Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in teamleren en individuele ontwikkelingseffecten&#xD;
van teamleden van de pilots van Teamplayersprojecten door ze te vergelijken met al bestaande&#xD;
controle hbo en mbo teamprojecten.&#xD;
Deelnemers, procedure en onderzoeksontwerp&#xD;
Het onderzoek is uitgevoerd bij vijf pilots Teamplayersprojecten (niveau 4 en 5), twee al bestaande&#xD;
projectteams met alleen hbo studenten (niveau 5) en twee al bestaande projectteams met alleen mbo&#xD;
studenten (niveau 4). Voor het meten van individuele ontwikkelingseffecten is er ook een hbo en een&#xD;
mbo controle groep die geen projectonderwijs hebben gevolgd. In totaal zijn het 105 deelnemers die&#xD;
allen een opleiding volgen in de beroepskolom van Sport &amp; Bewegen. De mbo en hbo al bestaande&#xD;
controle projectgroepen zijn geselecteerd vanwege de vergelijkbare complexiteit van hun&#xD;
teamopdracht en projectduur (één cursusjaar).&#xD;
Tijdens een pre-test (in september 2011) en een post-test (in februari 2012) zijn de individuele&#xD;
ontwikkelingseffecten gemeten met behulp van twee vragenlijsten.&#xD;
De teamreflexiviteit is in dezelfde periode onderzocht door willekeurig drie teamvergaderingen van&#xD;
alle negen projectteams op locatie te filmen zonder de aanwezigheid van een docentbegeleider.&#xD;
Tot slot zijn er gestructureerde interviews afgenomen bij studenten in focusgroepen, docentbegeleiders&#xD;
en de opdrachtgevers om inzicht te krijgen in de complexiteit van de teamopdracht.&#xD;
Dit onderzoek betreft een ‘mixed method research design’. De kwantitatieve en kwalitatieve&#xD;
benadering is gekozen om een divers en compleet beeld te krijgen van de beoogde vergelijking.&#xD;
Meetinstrumenten&#xD;
De individuele ontwikkelingseffecten zijn gemeten met de Utrechtse Coping Lijst (Schreurs, Van de&#xD;
Willige, Brosschot, Tellegen, &amp; Graus, 1993) en de ‘General Self Efficacy Scale’ (GSE) (Jerusalem &amp;&#xD;
Schwarzer, 1992; Bandura, 1977).&#xD;
6&#xD;
Teamreflexiviteit werd gescoord met de observatielijst van Swift en West (1998) dat teamreflectie, de&#xD;
voorgenomen planning en ondernomen actie van vergaderingen kan beoordelen.&#xD;
De complexiteit van de teamopdracht werd beoordeeld met het complexiteitsgedeelte van het&#xD;
ZelCommodel (Bulthuis, 2011).&#xD;
Resultaten&#xD;
Alle projectteams voldeden aan de voorwaarde van een gemiddeld tot hoge complexiteit van de&#xD;
teamopdracht, hierdoor is het aannemelijk dat reflexiviteit tijdens teamvergaderingen zal optreden.&#xD;
Gebleken is dat mbo en hbo studenten in Teamplayersprojecten zich in een tegenovergestelde richting&#xD;
dan wenselijk hebben ontwikkeld binnen enkele aspecten van het aankunnen van probleemsituaties en&#xD;
aanpassing vereisende omstandigheden.&#xD;
Vier van de vijf Teamplayersprojecten vertonen een lagere teamreflexiviteit dan de twee al bestaande&#xD;
controle projectteams van hbo niveau.&#xD;
Conclusie&#xD;
Geconcludeerd kan worden dat ondanks dat studenten in de pilots van Teampalyersprojecten meer&#xD;
begeleiding krijgen en getraind worden in samenwerkend leren, zij minder leren op teamniveau en op&#xD;
aspecten van individueel niveau. Dit komt tot uiting wanneer zij na een half jaar worden vergeleken&#xD;
met al bestaande controle projectteams van hbo niveau.
Description: Karels, K. (2012). De relatie tussen Percepties van Reformatorische Jongeren over Benaderingswijzen voor Toerusting en Vorming en Identiteitstijlen. Oktober, 1, 2012, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2012-10-01T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
  <entry>
    <title>Verbetering van een Training ‘Militaire Besluitvorming’: een Onderwijskundig Ontwerponderzoek</title>
    <link rel="alternate" href="http://hdl.handle.net/1820/4448" />
    <author>
      <name>Van de Venn, Marian</name>
    </author>
    <id>http://hdl.handle.net/1820/4448</id>
    <updated>2012-10-24T00:01:23Z</updated>
    <published>2012-07-03T00:00:00Z</published>
    <summary type="text">Title: Verbetering van een Training ‘Militaire Besluitvorming’: een Onderwijskundig Ontwerponderzoek
Authors: Van de Venn, Marian
Abstract: Deze thesis beschrijft het onderwijskundig ontwerponderzoek naar de training militaire besluitvorming in de opleiding Primaire Vorming voor onderofficieren van de Koninklijke Landmacht. Aanleiding voor dit onderzoek zijn de problemen met de bestaande training waarin een gebrek aan bekwaamheid en inzicht in militaire besluitvorming, een zware studiebelasting en een gebrek aan voortgang worden ervaren. Literatuur over militaire besluitvorming en onderwijskundig ontwerpen zijn gebruikt om de aard van de problemen en de voorgenomen oplossingsinterventies te definiëren. De achtergrond van deze studie komt daarmee voort uit een combinatie van praktijk en wetenschappelijke theorie.&#xD;
De doelstelling van deze studie is om een verbetering aan te brengen in de bestaande training militaire besluitvorming door het toepassen van verschillende onderwijskundige interventies in een herontwerp van de training. Om dit te realiseren bestaat de studie enerzijds uit een grondige analyse van de bestaande situatie waaruit ontwerprichtlijnen en een herontwerp van de training volgen. Ander-zijds bestaat deze studie uit het implementeren en evaleren van het herontwerp waarvoor een experi-menteel vergelijkingsonderzoek is uitgevoerd.&#xD;
Voor het vergelijkingsonderzoek hebben 75 militairen in de rang van Sergeant of Wachtmees-ter deelgenomen. Zij zijn verdeeld over twee condities waarbij de controleconditie de bestaande trai-ning uitvoerde en de experimentele conditie het herontwerp. Bij het herontwerp zijn de trainers, op vrijwillige basis, nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het herontwerp.&#xD;
Voor het vergelijkingsonderzoek zijn het reactie- en leerniveau van de deelnemers in beide condities gemeten aan de hand van een deelnemerstevredenheids- en een examenbeoordelingsformu-lier. Voor aanvullende informatie over de beleving van de trainers en de deelnemers hebben er aanslui-tend aan het examen gestandaardiseerde interviews plaatsgevonden.&#xD;
Uit het vergelijkingsonderzoek komt naar voren dat de gepleegde interventies in het heront-werp een positief effect hebben op de problemen die ervaren worden in de bestaande training. Deel-nemers zijn niet alleen meer tevreden over de training, maar presteren ook beter tijdens het examen.&#xD;
Het onderzoek laat daarmee zien dat de gepleegde interventies toepasbaar zijn en positief uit-werken wanneer toegepast bij de Koninklijke Landmacht. Mogelijke oorzaken hiervoor en suggesties voor toekomstig onderzoek worden bediscussieerd.
Description: Van de Venn, M. (2012). Verbetering van een Training ‘Militaire Besluitvorming’: een Onderwijskundig Ontwerponderzoek. Juli, 3, 2012, Heerlen, Nederland: Open Universiteit.</summary>
    <dc:date>2012-07-03T00:00:00Z</dc:date>
  </entry>
</feed>

