<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns="http://purl.org/rss/1.0/" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
  <channel rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/1305">
    <title>DSpace Collection:</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/1305</link>
    <description />
    <items>
      <rdf:Seq>
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/4557" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/4556" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/4555" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/4554" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/4553" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/4552" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/4551" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/3713" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/3709" />
        <rdf:li rdf:resource="http://hdl.handle.net/1820/3672" />
      </rdf:Seq>
    </items>
    <dc:date>2013-05-21T09:26:30Z</dc:date>
  </channel>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/4557">
    <title>Natuurontwikkeling van zilte vegetatie binnendijks van kustgebieden in Zeeland en Groningen. Natuurontwikkeling binnen milieukundige en ecologische kaders</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/4557</link>
    <description>Title: Natuurontwikkeling van zilte vegetatie binnendijks van kustgebieden in Zeeland en Groningen. Natuurontwikkeling binnen milieukundige en ecologische kaders
Authors: Bosch, Gerrit Jelle
Abstract: Samenvatting - Door de invloed van de mens is het areaal aan brakke natuur met overgangen tussen zout en zoet afgeno-men. Ter compensatie daarvan wordt op landelijk en provinciaal niveau gewerkt aan het herstel en uitbrei-ding van natte natuur w.o. brakke gemeenschappen, zowel binnen- als buitendijks. De aanzet werd gegeven door het Natuurbeleidsplan uit 1990 met de daaraan gekoppelde Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Hierin wordt op landelijk niveau vorm gegeven aan het realiseren van o.a. een robuuste aaneenschakeling van dui-zenden hectares natuurgebieden.&#xD;
In dit afstudeerverslag zijn een 16-tal binnendijkse gebieden beschreven langs de kust in Zeeland en Gro-ningen, waarvan een 3-tal gebieden met bestaande brakke gemeenschappen. Het recent voltooide Groninger project Polder Breebaart is, voor zover bekend in Nederland, het enige binnendijkse project waarbij natuur-ontwikkeling plaatsvindt onder invloed van een (gedempte) getijdenwerking. Het succes van natuurontwik-kelingsprojecten is afhankelijk van de mate waarin aan een aantal milieukundige en ecologische randvoor-waarden kan worden voldaan.&#xD;
Op basis van groot- en kleinschalige inrichtingsmaatregelen wordt gestreefd naar het realiseren van, binnen-dijks gelegen, brakke gemeenschappen als verlengstuk van het buitendijkse kweldermilieu. Dat gebeurt in combinatie met een gericht water- en begrazings-/maaibeheer. Voor dit doel worden landbouwpercelen aan-gekocht waarvan de functie wordt gewijzigd van landbouw naar natuurontwikkeling.&#xD;
Voor het realiseren van brakke gemeenschappen vormt de kwelintensiteit een belangrijke factor. Om de in-vloed van de kwelintensiteit te vergroten, natuurontwikkeling te versterken en nadelige effecten t.a.v. de landbouw te beperken worden, afhankelijke van het project, verschillende groot- en kleinschalige maatrege-len uitgevoerd of zijn recent uitgevoerd. De inrichtingsmaatregelen kunnen globaal worden onderverdeeld in grondverzet en waterhuishoudkundige maatregelen.&#xD;
Het gewenste streefbeeld wordt bepaald door realisatie van overgangen tussen zilte pioniervegetaties, meer-jarige vegetaties en brakke ruigte, waarbij het accent in meer of mindere mate wordt gelegd op ontwikke-ling van brakke half-natuurlijke prioritaire natuurdoeltypen Zk-3.2 (brak watergemeenschap) en Zk-3.3 (zou-te en brakke ruigte en grasland).&#xD;
Op grond van recente monitoringsgegevens, kort ná inrichting, van het Zeeuwse project de Prunje kan voor-zichtig worden vastgesteld dat de zilte natuurontwikkeling snel inspeelt op de nieuwe situatie.&#xD;
Vanwege een te korte evaluatieperiode kan op dit moment nog niet worden vastgesteld of de doelstellingen, zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht, op de lange termijn gehaald zullen worden. In abiotisch opzicht zijn voor een aantal projecten ná inrichting knelpunten geconstateerd. Het succes van natuurontwikkeling relateren aan de vestiging van doelsoorten met weinig areaal aan zilte graslanden is niet wenselijk.&#xD;
Om landbouw en natuur duurzaam naast elkaar te laten bestaan, worden ter voorkoming van schade aan na-burig gelegen landbouwpercelen verschillende maatregelen uitgevoerd. Deze maatregelen hebben vooral be-trekking op de waterhuishouding en het beperken van overlast door akkeronkruiden (m.n. Akkerdistels).&#xD;
Aangezien het economisch rendement van landbouwkundige activiteiten in de toekomst verder zal afnemen liggen hier kansen voor (zilte) natuurontwikkeling in relatie tot agrarisch natuurbeheer. Functiewijziging van landbouw naar natuur geschiedt in aanleg op basis van vrijwilligheid. In de praktijk kunnen natuuront-wikkelingsprojecten stagneren of in omvang worden beperkt doordat percelen niet tijdig kunnen worden verworven.&#xD;
Het succes van de beschreven binnendijkse maatregelen is niet alleen afhankelijk van de mate van herstel van de abiotische condities. Dispersie van zaad door vogels, wind en eventueel aanwezige zaadbanken draagt waarschijnlijk niet in voldoende mate bij aan het herstel en uitbreiding van zilte vegetatie. Het is daarom aannemelijk dat zaden binnendijks voornamelijk verbreid zullen worden door water. Aangezien de beschreven projecten streven naar de dynamiek van het buitendijkse kweldermilieu is onderzocht welke in-vloed getijdenstroming heeft op de ontwikkeling van een kweldervegetatie. Daartoe is op het oostelijk deel van Schiermonnikoog onderzoek verricht naar de ontwikkeling van een natuurlijke kweldervegetatie. Voor een vijftal successiestadia (transecten), variërend in leeftijdopbouw (jaar van ontstaan) en hoogte t.o.v. NAP, zijn d.m.v. 10 kunstgrasmatjes per transect periodiek de zaadvangsten bepaald voor een 13-tal kweldersoorten. Door het verschil in inundatiefrequentie en successiestadium wordt elk transect gekarakteri-seerd door specifieke zilte plantensoorten. Het totaal zaadaanbod per soort correleerde met de aanwezigheid en dominantie van kweldersoorten op de betreffende transecten. Dit wijst meer op een lokale verbreiding van zaad door de plaatselijke vegetatie dan door aanbod van zaad uit het “voorland” en of andere successie-stadia. Daarnaast kunnen zaden van hoge naar lage delen en vice versa en tussen transecten onderling door waterstromingen worden verbreid door getijdenstromingen, eventueel versterkt door windrichting en -kracht. Dispersie van zaden van bron- naar doelgebied is mede afhankelijk van het drijfvermogen, zaadaan-bod en de inundatiefrequentie.&#xD;
Vervolgens is onderzocht wat de kansen zijn voor herstel/ontwikkeling van kweldervegetatie binnendijks zonder dat er sprake is van getijdenwerking. Voor de kans dat zilte soorten zich kunnen vestigen en uitbrei-den kan onderscheid worden gemaakt tussen gebieden die “kaal” worden opgeleverd en gebieden waar nog (op beperkte schaal) zilte soorten aanwezig zijn. Vanuit de (nog) aanwezige standplaatsen kan de vegetatie zich ontwikkelen door lokale zaadproduktie. Verbreiding van zaad door vogels (en wind) kan een rol spelen voor vegetatietypen op de hoger gelegen delen die zelden of nooit in contact komen met het oppervlakte-water. Met name voor nieuwvestiging van soorten is het wenselijk om zaden en losliggende vegetatieve de-len uit het buitendijkse kweldergebied te verzamelen om deze vervolgens in het doelgebied te verspreiden. Tevens bestaat de mogelijkheid om vee via de zeedijk te laten foerageren tussen de buitendijkse kwelder en het binnendijkse gebied waardoor kwelderzaden indirect via keutels kunnen worden verspreid.&#xD;
Summary - The area of brackish nature with salt-to-fresh gradients has diminished by humane influence. To compen-sate for that, national and provincial departments are working on the restoration and expansion of wet na-ture, including halophytic communities inside as well as outside the seawalls. The starting point was the “Natuurbeleidsplan” (Nature Policy Plan, 1990) with linked to that the “Ecologische Hoofdstructuur” (Eco-logical Main Structure). On an national level this structure describes the realization of a system of inter-connected areas of thousands of hectares of nature.&#xD;
In this thesis 16 areas inside the seawalls along the coast in Zeeland and Groningen are described, among which 3 areas with existing halophytic communities. The recently finished project Polder Breebaart in Gro-ningen is, as far as is known in the Netherlands, the only project inside the dikes in which nature develop-ment occurs under the influence of a (reduced) tidal amplitude. The success of nature development projects depends on the extent to which a number of environmental and ecological preconditions can be met.&#xD;
On the basis of large-scale and small-scale cultivation measures, the realization of halophytic communities inside the seawalls as an extension of the salt-marsh environment outside the seawalls is aimed at. That happens in combination with management strategies focused on abiotic conditions such as groundwater levels and –composition, and structuring the vegetation bij mowing or grazing. To this end agricultural fields are acquired and transformed into nature development areas.&#xD;
In order to realize halophytic communities, the seapage intensity of salt water is an important factor. De-pending on the project, several large-scale and small-scale measures are taken or have been taken recently to enlarge the influence of the seapage intensity, to reinforce nature development and to reduce detrimental effects on agriculture. The cultivation measures can be divided into topsoil removal, digging creeks and wa-ter management measures.&#xD;
The envisaged target is determined by realization of gradients between halophytic pioneer communities, pe-rennial communities and brackish tall communties. The emphasis is laid on the development of brackish se-mi-natural target communities Zk-3.2 (brackish water community) and Zk-3.3 (saline and brackish grass-land).&#xD;
Recent monitoring of the project de Prunje in Zeeland, shortly after its completion, suggests that the saline nature development responds rapidly to the new situation.&#xD;
Because of a too short evaluation period it is not possible at this moment to ascertain if the aims, both in quantitative and qualitative respect, will be reached in the long term. From an abiotic point of view proble-matic aspects have been found for a number of projects after design. It is not advisable to relate the success of nature development to the establishment of target species with a small area of saline grasslands.&#xD;
In order to allow the coexistence of agriculture and nature, several measures are taken to prevent damage to the adjacent agricultural fields. These measures mainly include the water management and the reduction of arable weeds (especially creeping thistles). As the economic output of agricultural activities will be further reduced in the future, chances exist for (saline) nature development in relationship with agricultural nature conservation. In principle, changes in function from agriculture to nature take place on a voluntary basis. Nature development projects can stagnate or be reduced, because fields cannot be acquired in time.&#xD;
The success of the described measures inside the seawalls not only depends on the extent of restoration of the abiotic conditions. Seed dispersal by birds, wind and seed banks present probably do not contribute enough to the restoration and spread of halophytic vegetation. Therefore one can assume that seeds inside the seawalls will mainly be dispersed by water. As the described projects aim at the dynamic of the salt-marsh environment outside the seawalls, the influence of tidal movement on the development of a salt-marsh vegetation has been examined. To that end research into the development of a natural salt-marsh ve-getation has been conducted on the eastern part of Schiermonnikoog. For five successional stages (tran-sects), the seed deposition have periodically been determined for 13 salt-marsh species by means of ten traps made of astroturfs. These transects varied in age structure (year of origin) and elevation in relation to Dutch Ordnance Level. Because of the difference in inundation frequency and succession stage, each tran-sect is characterized by specific halophytic plant species. The total number of seeds per species correlated&#xD;
with the presence and dominance of salt-marsh species at the transects concerning. This is more indicative of seed dispersal from the local vegetation than by seed originating from the “foreland” and or other suc-cessional stages. In addition to this, seeds can be dispersed by tidal movements from high to low parts and vice versa and between transects by streams, possibly reinforced by wind direction and wind-force. Seed dispersal from source area to target area also depends on the floating capacity, number of seeds and the inundation frequency.&#xD;
Then the chances for restoration/development of salt-marsh vegetation inside the seawalls without the pre-sence of tidal action have been examined. For the chance that halophytic species can establish themselves and spread, areas can be divided into those which are delivered bare and those where (on a small scale) halophytic species are present. From the habitats which are (still) present, the vegetation can develop through local seed rain. Seed dispersal by birds (and wind) is especially important for plant communities on the higher parts, which are seldom or never exposed to the surface water. Especially for new establishment of species it is advisable to collect seeds and loose vegetative parts from the area outside the seawall and then disperse these in the target area. There is also the possibility to let cattle forage via the seawall between the salt marsh and the area inside the seawall, as a result of which seeds of salt-marsh species can be disper-sed indirectly via droppings.
Description: Onderzoek uitgevoerd op het Biologisch Centrum Haren, afdeling Plantenoecologie van de Rijks Universiteit Groningen (RUG)</description>
    <dc:date>2012-11-27T00:00:00Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/4556">
    <title>Cystevorming door de spirocheet Borrelia burgdorferi sensu lato onder invloed van stressfactoren</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/4556</link>
    <description>Title: Cystevorming door de spirocheet Borrelia burgdorferi sensu lato onder invloed van stressfactoren
Authors: Kummer, Maryse S
Abstract: Samenvatting - Lyme-borreliose of de ziekte van Lyme wordt momenteel beschouwd als de snelst groeiende infectieziekte van de wereld en het aantal patiënten met deze door Ixodes-teken overgebrachte bacteriële ziekte neemt wereldwijd dan ook steeds verder toe. De veroorzaker is de spirocheet Borrelia burgdorferi sensu lato, een spiraalvormige bacterie waatoe drie pathogene soorten behoren: Borrelia burgdorferi sensu stricto, Borrelia garinii en Borrelia afzelii.&#xD;
Wat betreft de tekenbeetconsultaties bij de huisartsen in Nederland, nam de incidentie toe van 191/100.000 in 1994, naar 564 per 100.000 inwoners in 2009; een verdrievoudiging sinds 1994.&#xD;
In 1994 was de incidentie van erythema migrans 39/100.000 en in 2009 was deze incidentie gestegen tot 134/100.000. Indien men het aantal erythema migrans gevallen en tekenbeetconsulten omrekent naar de totale Nederlandse bevolking betekent dit dat in 2009 de huisartsen ongeveer 22.000 patiënten zagen met erythema migrans en 93.000 patiënten met een tekenbeet.&#xD;
Net als de geslachtsziekte syfilis is ook Lyme-borreliose een multisysteem ziekte waarbij verschillende stadia zijn te onderscheiden. Het bekendste stadium bij Lyme-borreliose is de vroege lokale huidinfectie erythema migrans of Bull’s eye op de plaats van de tekenbeet, die slechts in 50% van de gevallen optreedt.&#xD;
Door een speciaal bewegingsmechanisme dat bestaat uit een axiaalfibril en endoflagellen is de spirocheet Borrelia burgdorferi sensu lato in staat om actief de infectiehaard te verlaten om zich elders in het lichaam van zijn gastheer te vestigen. Via endotheelcellen van de bloedvaten kan B. burgdorferi s.l. de bloedbaan verlaten, om zich diep in de weefsels te vestigen, met een voorkeur voor zuurstofarme milieu’s zoals de gewrichten en het centrale zenuwstelsel.&#xD;
Het gevolg is de vroege gedissemineerde Lyme-borreliose die tot uiting kan komen als Lyme-artritis en neuroborreliose.&#xD;
Verder is er het stadium van de late of chronische Lyme-borreliose met chronische Lyme-artritis en chronische neuroborreliose als veelvoorkomende aandoeningen. De patiënten met deze aandoeningen vormen het grote probleem. Ondanks “adequaat” veronderstelde antibioticabehandelingen in de lokale- en vroege gedissemineerde Lyme-borreliose is de spirocheet Borrelia burgdorferi sensu lato, regelmatig in staat tot overleving in de weefsels. Korte antibioticumbehandelingen laten een percentage zien van 30-62% aan recidieven binnen 3 jaar na de behandeling van de vroege Lyme-borreliose. Als men dit percentage betrekt op de jaarlijkse 22.000 patiënten die in Nederland behandeld worden voor erythema migrans, dan betekent dit dat 6600 tot 13.640 patiënten te maken kunnen krijgen met een recidiverende Lyme-borreliose binnen 3 jaar na een “adequaat” veronderstelde antibioticumbehandeling.&#xD;
Dat er jaarlijks enkele duizenden chronische Lyme-borreliose patiënten bij komen, komt overeen met de gegevens van de Nederlandse vereniging van Lyme patiënten (NVLP). Volgens de NVLP zouden er in 2009 in Nederland ruim 70.000 personen zijn die min of meer te lijden zouden hebben van de neurologische gevolgen van een besmette tekenbeet. Het totale aantal chronische Lyme patiënten zou volgens de NVLP enige honderdduizenden groot zijn. Het exacte aantal is echter niet bekend. Wat wel bekend is, is dat het chronische Lyme-borreliose legioen met persisterende klachten alleen maar groeiende is, ondanks “adequate” antibioticumbehandelingen.&#xD;
De volgende vraag staat dan ook centraal in dit literatuuronderzoek:&#xD;
“Ontbreken er fundamentele schakels in de antibacteriële behandeling bij Lyme-borreliose?”&#xD;
Het mislukken van “adequaat” veronderstelde antibioticumbehandelingen bij Lyme-borreliose werd voor het eerst gemeld door onderzoeker Preac-Mursic in 1989, al meer dan 20 jaar geleden. Bij patiënten die met antibiotica waren behandeld, werd de persistentie van de spirocheet bevestigd met positieve culturen van B. burgdorferi s.l. van huidbiopsies, synoviaalvocht, liquor en bloed.&#xD;
Falende antibioticumbehandelingen bij Lyme-borreliose vormde de aanzet in Europa om uitgebreid in vitro onderzoek te doen naar het gedrag van de bacterie onder invloed van diverse stressfactoren waaronder “effectief ” veronderstelde antibiotica.&#xD;
Een nadere beschouwing van het in vitro onderzoek toont aan dat de spirocheet B. burgdorferi s.l. onder ongunstige omstandigheden als het ware (tijdelijk) onderduikt en kan.transformeren van een normale mobiele spirocheet in een inerte cyste, een afgegrensd ruststadium waarin de spirocheet zich verbergt en waarbij de buitenste membraan zich als een “cocon” om de spirocheet heeft gelegd. De cyste biedt zodoende bescherming tegen de meeste antibiotica en andere stressfactoren en ook tegen eventuele antilichamen van de gastheer.&#xD;
Men dient zich te realiseren dat de spirocheet razendsnel kan overgaan in de cystevorm zodra de stressfactor aanwezig is. Een in vitro onderzoek laat zien dat na één minuut 95% van de spirocheten van B. burgdorferi s.l. was overgegaan in cysten onder invloed van hypotone stress (aquadest) en na 4 uur werd er geen mobiele intakte spirocheet meer waargenomen.&#xD;
In vitro onderzoeken hebben ook laten zien dat na het verdwijnen van de stressfactor, dus als de omstandigheden weer gunstig worden voor de spirocheet B. burgdorferi s.l., deze reconversie kan vertonen van de cystevorm naar een normale spiraalvormige spirocheet. De reconversie kan afhankelijk zijn van de concentratie van een stressfactor en/of de tijdsduur van de beïnvloeding hiervan.&#xD;
Reconversie kan ook razendsnel gaan zoals een onderzoek heeft aangetoond bij cysten van 48 uur oud, die waren gevormd onder invloed van serum-starvation. Reconversie vond binnen 10 seconden plaats na toevoeging van konijnenserum aan het medium van de cysten. Uit de cysten kwamen onbeweeglijke maar intakte spirocheten. De spirocheten herkregen hun beweeglijkheid na 12 tot 15 uur na het uitkomen van de cysten.&#xD;
De stresstoestand serum-starvation kan zich voordoen in de liquor cerebrospinalis. Indien een patiënt wordt verdacht van een neuroborreliosis, dient men zich te realiseren dat de spirocheet B. burgdorferi s.l. aanwezig kan zijn in de cystevorm en dat deze cysten alleen met de microscoop zijn waar te nemen. De liquor culturen zullen voor de spirocheet B. burgdorferi s.l. in dat geval negatief uitvallen.&#xD;
Met het in vitro onderzoek voor ogen, zou men zich een voorstelling kunnen maken van het gedrag van de spirocheet B. burgdorferi s.l. in vivo. Onder invloed van een antibioticumbehandeling wordt een deel van de spirocheten gedood, maar ook kan een deel overgaan in cysten.&#xD;
Bij Lyme-borreliose patiënten tijdens antibioticabehandelingen met penicilline-G en met ceftriaxon werden cysten aangetoond in liquor, huidbiopsies en bloed. Bij patiënten die geen antibioticumbehandeling hadden gekregen werden intakte spirocheten geïsoleerd.&#xD;
Na het beëindigen van de therapie, dus als de omstandigheden weer gunstig zijn voor de spirocheet, kan reconversie naar een normale virulente spirocheet plaatsvinden, die weer aanleiding kan geven tot recidieven.&#xD;
Dat er inderdaad reconversie van cysten naar normale spirocheten kan plaatsvinden, is aangetoond in muizen waarbij intra-peritoneaal cysten werden getransplanteerd en waarbij normale spirocheten werden teruggevonden in de harten van twee van de 15 getransplanteerde muizen.&#xD;
Bij een recidiverende Lyme-borreliose vindt normaliter opnieuw een antibioticumbehandeling plaats. Dit houdt in dat de cyclus opnieuw begint: cystevorming, reconversie na het beëindigen van de therapie en mogelijk weer een recidiverende Lyme-borreliose etc. een “jo-jo-effect”.&#xD;
Cystevorming onder invloed van een antibioticumbehandeling en reconversie naar normale spirocheten na het beëindigen van de kuur kunnen van klinisch belang zijn in verband met het wel of niet slagen van de behandeling.&#xD;
Behalve als normale mobiele spirocheet en in de cystevorm kan B. burgdorferi s.l. ook nog voorkomen als celwanddeficiënte (CWD) bacterie die gevormd kan worden onder invloed van celwandsynthese-remmende antibiotica, zoals de penicillinen en de cefalosporinen (bèta-lactam antibiotica). Celwand-deficiënte bacteriën of sferoplast-, L-vormen hebben geen spiraalvorm meer omdat zij een deel of hun hele celwand hebben verloren. In deze vorm veroorzaken ze ook geen antilichamenrespons en de ELISA en Western Blot zijn dus negatief. L-vormen kunnen verder leven zonder celwand en kolonies vormen die vaak diep verborgen zijn in de weefsels van de gastheer. Antibiotica die hun invloed uitoefenen op de celwand hebben dus geen effect op celwand-deficiënte bacteriën. Deze bacteriën zouden ook weer kunnen veranderen in intakte spirocheten en zouden zodoende een recidiverende Lyme-borreliose kunnen veroorzaken.&#xD;
De spirocheet B. burgdorferi s.l. beschikt net als de spirocheet Treponema pallidum, de verwekker van geslachtsziekte syfilis, over verscheidene overlevingsstrategieën om zich te handhaven in het lichaam van zijn gastheer. Behalve bovengenoemd pleiomorfisme vormt het intra-cellulaire verblijf van de spirocheet een andere overlevingsstrategie.&#xD;
B. burgdorferi s.l. is waargenomen in vele celtypen, zoals gliacellen, neuronen, endotheelcellen, Kupffercellen, synoviaalcellen, fibroblasten en macrofagen. De spirocheet is zodoende beschermd tegen het immuunsysteem van zijn gastheer en tegen de werking van de antibiotica waarvan het merendeel niet intracellulair werkzaam is. De spirocheet kan vrijkomen met de apoptosis van de cel en kan zodoende tot een relapsus van de infectie leiden.&#xD;
De spirocheet Treponema pallidum, vertoont zowel anatomisch als pathologisch veel overeenkomsten met de spirocheet Borrelia burgdorferi s.l.. Het ziektebeeld van de chronische Lyme-neuroborreliose vertoont veel overeenkomsten met het ziektebeeld van de late neurosyfilis. Er is een toenemend bewijs dat de spirocheten van B. burgdorferi s.l. zich weten te handhaven in geïnfecteerd weefsel, met inbegrip van de hersenen, ook na antibioticumtherapiën waaronder penicilline-G. De spirocheten zouden zich intracellulair ophouden in neuronen en gliacellen van het centrale zenuwstelsel met als gevolg dysfunctioneren hiervan en progressieve celdood. Het klinische beeld is progressieve dementie.&#xD;
Bovengenoemde bevindingen van in vitro - en in vivo onderzoek maken het duidelijk dat een antibioticumbehandeling die alléén gericht is tegen de normale mobiele spirocheet, onvoldoende is. Het feit dat de bacterie pleiomorfisme kan vertonen afhankelijk van het type - en de aan- of afwezigheid van de anti-bacteriële stressfactor, betekent in feite dat men de behandelingsstrategie zo breed mogelijk zou moeten toepassen&#xD;
Aangezien er momenteel geen therapeuticum is tegen alle verschijningsvormen van de spirocheet, zou het beste een combinatietherapie zijn, die bestaat uit het simultaan of intermitterend toedienen van diverse antibiotica die ieder afzonderlijk gericht zijn tegen één of meerdere verschijningsvormen van B. burgdorferi s.l..&#xD;
Een voorbeeld van een combinatietherapie zou kunnen bestaan uit doxycycline dat actief is tegen normale spirocheten en celwand-deficiënte bacteriën, een erythromycine derivaat dat intracellulair werkzaam is en metronidazol of tinidazol die effectief zijn tegen de cysten van B. burgdorferi s.l..&#xD;
Uiteraard is verder onderzoek nodig naar dergelijke brede behandelingsstrategieën tegen Lyme-borreliose.&#xD;
Tot op heden zijn alle officiële behandelingsrichtlijnen van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO), de Infectious Diseases Society of America (IDSA) en de International Lyme and Associated Diseases Society (ILADS) alleen gericht op de bestrijding van de normale spirocheet. Van de andere verschijningsvormen is men niet op de hoogte of deze worden ten onrechte genegeerd. Alleen bij de werkgroep van de ILADS wordt er momenteel onderzoek verricht naar brede behandelingsstrategieën tegen de diverse verschijningsvormen van de spirocheet bij Lyme-borreliose. Het wachten is op de resultaten.&#xD;
Het merendeel van de huidige wetenschappers waaronder microbiologen en artsen staren zich blind op de normale spiraalvormige bacterie B. burgdorferi s.l.. Ten onrechte gaat men ervan uit dat een enkelvoudig “adequaat” bevonden antibioticumbehandeling voldoende zou zijn om de spirocheet te bestrijden.&#xD;
Concluderend kan men stellen dat indien men een adequate behandeling van Lyme-borreliose wil toepassen deze gericht dient te zijn tegen alle mogelijke verschijningsvormen van de bacterie: de normale spirocheet, de intra-cellulaire spirocheet, de celwanddeficiënte bacterie, en de intra- en extracellulaire cysten van Borrelia burgdorferi s.l.. Er dient dus een brede behandelingsstrategie toegepast te worden bestaande uit een combinatietherapie van antibiotica en chemotherapeutica, opdat men deze bacterie op alle fronten kan aanvallen.&#xD;
 &#xD;
Summary - Lyme-borreliosis or Lyme-disease is transmitted by the bites of ticks of the Ixodes genus that are infected with the spirochete Borrelia burgdorferi sensu lato, a spiral shaped bacterium that consists of three pathogenic genospecies: Borrelia burgdorferi sensu stricto, Borrelia garinii and Borrelia afzelii. The infection has a wide distribution in the northern temperate regions of the world and during the last decades the number of patients with the Lyme-disease is growing steadily.&#xD;
In the Netherlands the consultations of tick bites were increased from 191/100.000 in 1994 to 564/100.000 in 2009; a three fold augmentation since 1994. In 1994 was the incidence of erythema migrans 39/100.000 and in 2009 the incidence has amounted to 134/100.000.When calculating the number of cases with erythema migrans and the number of tick-bite consultations to the total of the Dutch population, this means that in 2009 physians diagnosed about 22.000 patients with erythema migrans and 93.000 cases with a tick-bite.&#xD;
Like the veneral disease syphilis, Lyme borreliosis is a multisystem disease with several stages. The early local infection at the site of the tick-bite, erythema migrans or bull’s eye, is the most common which happens in only 50% of the cases. From the site of the tick-bite the spirochete may spread in the body of the host and may affect other organs like the nervous system, joints and heart: the early disseminated Lyme-borreliosis. The spirochete can leave the site of the tick-bite very quickly by means of a special movement mechanism, that encludes an axial fibril and endoflagels and may move deep into tissues.&#xD;
When not adequately treated the early stages of Lyme-borreliosis will develop in the late chronic Lyme borreliosis like chronic neuroborreliosis and chronic arthritis. Patients with these chronic affections form the major problems to the physicians. For with the increasing number of patients, physicians are also more and more confrontated with the failure of “adequate” supposed antibiotic treatments in the early stages of Lyme disease. Short antibacterial treatments result in 30- to 62% of recidives within three years after initial treatment.&#xD;
When calculating these percentages on the yearly 22.000 patients with erythema migrans in the Netherlands, this means that 6600 to 13.640 patients may have a recidive within three years after an “adequate” supposed antibiotic treatment.&#xD;
These numbers of some thousands of patients do correspond with the cases of the Dutch Society of Lyme Patients. Following this organisation there might be in the Netherlands in 2009 about 70. 000 patients who are suffering from the neurologic affections due to a contaminated tick-bite. However, the exact number of patients is not known. Only the fact that the army of chronic Lyme disease patients is still growing.&#xD;
The mean question of this literature study is: Are there fundamental links missing in the antibiotic treatments in Lyme borreliosis?&#xD;
The failing of “adequate”supposed antibiotic treatments was for the first time mentioned in 1989 by Preac-Mursic more than 20 years ago. After antibiotic therapies the persistence of the spirochete was confirmed by means of positive cultures of B. burgdorferi s.l. in skin biopsies, synovial fluid, liquor cerebrospinalis and blood.&#xD;
The failing antibiotic treatments formed the beginning in Europe to start in vitro studies after the behaviour of the spirochete B. burgdorferi s. l. under different stress conditions including the antibiotics. Cultures were examinated by dark field microscopy, interference microscopy and transmission electron microscopy.&#xD;
In vitro studies have revealed that the normal, mobil spirochete under stress conditions can convert to a cystic form by folding the outer membrane like a “cocon” around the spirochetal body. The cyst has a low metabolic activity that allows the spirochete to survive until conditions are becoming favourable again, as is the case when the (antibiotic) stress factor has disappeared. The cyst protects the spirochete against most of the antibiotics and other stress factors and also against antibodies of the host.&#xD;
The spirochete may convert to a cystic form very fast as has shown a study with aquadest as a stress condition. After one minute 95% of the spirochetes has converted to cysts and after four hours there was no mobile spirochete left.&#xD;
In vitro studies with the transmission electron microscope showed that after the disappearance of the (antibiotic)stress conditions the reconversion from a cystic form to a normal, mobile spirochete took place. The reconversion is dependant of the concentration of the stressor and/or the time of influence. Reconversion may happen very fast as shown in an in vitro study with cysts of 48 hours which were formed by the stress condition of serum-starvation. Within 10 seconds the cysts converted back to normal, intact spirochetes after the suppletion of rabbit serum to the medium of the cysts. After 12 to 15 hours the spirochetes regained their mobility again.&#xD;
A situation of serum-starvation may happen in the spinal fluid. When a neuroborreliosis is suspected, it is necessary to realise that the spirochetes may be present in cystic forms. These cysts can only be recognized by microscopy and cultivations of spinal fluid will be negative for the spirochete B. burgdorferi s.l..&#xD;
With the in vitro studies in mind, one can imagine what may happen in vivo. The antibiotic treatment may kill a part of the spirochetes but also a part may convert to cystic forms. From patients with Lyme disease who were treated with penicilline-G and with ceftriaxon, cysts were isolated in spinal fluid, skin biopsies and blood during the antibiotic treatments. From patients without an antibiotic treatment normal spirochetes were isolated.&#xD;
In vivo this means also that after an antibiotic treatment the cysts might be converted back into virulent spirochetes with a possible relapse of the disease. Indeed there may be reconversion from cysts to normal spirochetes as was shown in mice with transplanteted cysts. Two of the fifteen mice had normal spirochetes in their hearts.&#xD;
Relapses of Lyme borreliosis should be treated again with antibiotics. This means a new beginning of the cycle: cystic forming, reconversion after the antibiotic treatment and a possible recidive again followed by a new treatment etc. etc. a “yo-yo-effect”.&#xD;
It might be clear that cystic forming under the influence of an antibiotic treatment and reconversion to normal spirochetes after the treatment, will be of clinical importance in relation of the failing or the success of the therapy.&#xD;
Next to normal spirochetes and cysts, B. burgdorferi s.l. may also exist as cell wall deficient bacteria or spheroplast-, L-forms. These forms without a cell wall may be formed by beta lactam antibiotics as penicillines and cephalosporines. These antibiotics will not affect cell wall deficient bacteria. Cell wall deficient forms have no spiral form anymore because of the loss of their cell wall. In these forms there are no antibody responses and the Elisa and Western Blot tests are negatives. Spheroplast-, L-forms can live without a cell wall and form colonies deep in the tissues of the host. Cell wall deficient forms may revert back to normal spirochetes.&#xD;
Next to these pleomorphisms there is another reason for a possible relapse of Lyme-disease after an antibiotic therapy. Borrelia burgdorferi s.l. can penetrate in cells and can remain viable intracellular. In the cell the spirochete is protected against the host immune system and the action of most antibiotics. The spirochete has been found in glial cells, neurons, endothelial cells, Kupffer cells, fibroblasts and macrophages. The spirochete may be liberated after the apoptosis of the cell and may be the reason of a recidive of the Lyme borreliosis infection.&#xD;
Another spirochete, Treponema pallidum, the causative agent of syphilis, shows anatomic and pathologic similarities with the Lyme disease spirochete B. burgdorferi s.l.. The chronic neuroborreliosis resembles the late neurosyphilis. There is an increasing proof that B. burgdorferi s.l. can survive in infected tissues including the brains, also after treatment of penicilline-G, like Treponema pallidum. The Borrelia spirochete can hide intracellular in neurons and glial cells of the central nervous system, which is resulting in dysfunction of the cells and progressive cell death. The clinical manifestations are increasing dementia like the late neurosyphilis.&#xD;
So there are three different morphologic forms of the bacteria B. burgdorferi s.l and Treponema pallidum: the normal spirochete, the cystic form and the cell wall deficient - or spheroplast-, L-form. The bacterium can shift among these forms and the spirochete may be also intracellular situated.&#xD;
So this means that an antibiotic therapy that attacks only the normal, mobile spirochetes is not sufficient. The fact that the bacterium shows pleomorphism which depends of the type and presence or absence of the antibacterial stressor, means that the treatment strategy has to be as large as possible. This requires a combination therapy that consists of simultane or intermittent applications of different antibiotics which are each active against one or more pleomorphic forms of the spirochete.&#xD;
A combination might be doxycycline which is effective against the normal spirochetes and cell wall deficient bacteria, a derivate of erythromycine against the intracellular spirochetes and metronidazole or tinidazole against the cysts.&#xD;
The concentrations should be high enough to penetrate in all tissues and should be bactericidal to all different morphologic forms of the spirochete.&#xD;
All the official Lyme borreliosis guidelines of the Dutch Quality Institute for Health Care (CBO), The Infectious Diseases Society of America (IDSA) and The International Lyme and Associated Diseases Society (ILADS) are orientated at the treatment of the normal Lyme spirochete. However, the ILADS working group will come with new guidelines which enclude studies of combination therapies that are active against the different morphologic forms of B. burgdorferi s.l..&#xD;
Further research is needed to determine which combinations of antibiotics work best, if it should be given orally, intravenous or intramuscular and in which doses and durations of treatment.&#xD;
This literature study has made it clear that an “adequate” supposed antibiotic treatment against the normal, mobile spirochete Borrelia burgdorferi sensu lato is not sufficient to eliminate the bacterium. An adequate treatment of Lyme borreliosis should consist of the application of a combination of antibiotics against all possible morphologic forms: the normal, mobile spirochete, cysts, cell wall deficient forms (spheroplast-, L-forms) and intracellular spirochetes of B. burgdorferi s. l.: a wide range treatment strategy.</description>
    <dc:date>2012-11-27T00:00:00Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/4555">
    <title>Analyse van effecten van abiotische factoren op de biodiversiteit in zoetwaterstroomgebieden van Nederland</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/4555</link>
    <description>Title: Analyse van effecten van abiotische factoren op de biodiversiteit in zoetwaterstroomgebieden van Nederland
Authors: Vries, Claudette de
Abstract: Samenvatting - Analyse van effecten van abiotische factoren op de biodiversiteit in&#xD;
zoetwaterstroomgebieden van Nederland&#xD;
De kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater wordt bepaald aan de hand van veldmetingen&#xD;
verricht door waterbeheerders. Dit is echter een kwaliteitsbeoordeling waarmee nog geen analyse&#xD;
of voorspelling van de toxische effecten op aquatische ecosystemen en een efficiënte vermindering&#xD;
van de toxische druk kan worden bepaald. Tot op heden hebben de bovengenoemde lacunes in&#xD;
kennis geleid tot onvoldoende inzicht in de invloed van abiotische factoren op de kwaliteit van de&#xD;
aquatische ecosystemen.&#xD;
Daarom was er vanuit het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centrum&#xD;
voor Milieuwetenschappen Universiteit Leiden (CML) interesse in een analyse van de effecten van&#xD;
abiotische factoren op de biodiversiteit in zoetwaterstroomgebieden van Nederland. Hiertoe is de&#xD;
volgende onderzoeksvraag geformuleerd: Welke abiotische factoren beïnvloeden de biodiversiteit&#xD;
van macrofauna in de drie zoetwaterstroomgebieden in Nederland en wat is hun relatieve bijdrage?&#xD;
Voor dit onderzoek zijn zoetwatermonitoringsdata van het jaar 2008 van de Eems, Rijn en Maas&#xD;
stroomgebieden opgevraagd bij de waterbeheerders. Complete datasets met ecologische data&#xD;
gebaseerd op macrofauna taxa en gegevens over de volgende abiotische factoren: fosfaat, kjeldahl&#xD;
stikstof, chloor, pH, doorzicht, biochemisch zuurstofverbruik, breedte en diepte van de&#xD;
waterlichamen, stroomsnelheid van het water, waterhardheid, 44 bestrijdingsmiddelen en acht&#xD;
zware metalen van 99 meetlocaties zijn meegenomen in de analyse. Vervolgens is de ecologische&#xD;
kwaliteitsratio (biodiversiteit van de macrofaunasoorten) per meetlocatie berekend. De invloed van&#xD;
de abiotische factoren op de samenstelling van de macrofauna is geanalyseerd met een&#xD;
multivariate methode, de redundantie analyse. De abiotische factoren meegenomen in het&#xD;
onderzoek blijken slechts voor een beperkt deel van invloed te zijn op de samenstelling van de&#xD;
macrofauna in de drie zoetwaterstroomgebieden van Nederland. Van de abiotische factoren blijken&#xD;
de stroomsnelheid en pH een grotere invloed te hebben dan bijvoorbeeld de zware metalen en&#xD;
bestrijdingsmiddelen, die bijna geen enkele invloed hebben. Slechts een klein deel, 16%, van de&#xD;
variantie in de macrofaunadataset is te verklaren door de abiotische factoren. Een mogelijke&#xD;
oorzaak hiervoor is dat de variatie in macrofauna in deze studie erg laag was. Er zijn op bijna alle&#xD;
locatie negatief dominante macrofaunasoorten geobserveerd, die voorkomen onder een verstoorde&#xD;
toestand van het water. Positief dominante en karakteristieke macrofaunasoorten, die voorkomen&#xD;
onder de zeer goede toestand van het water, zijn slechts op minder dan een derde van de locaties&#xD;
geobserveerd in zeer lage aantallen. Gezien de beperkte effecten van de abiotische factoren op de&#xD;
samenstelling van de macrofauna, is het zeer waarschijnlijk dat de negatief dominante taxa minder&#xD;
gevoelig zijn voor de variatie aan abiotische factoren.&#xD;
Analyse van effecten van abiotische factoren op de biodiversiteit in zoetwaterstroomgebieden van Nederland&#xD;
&#xD;
Abstract - Diagnosis of the effects of abiotic factors on the biodiversity of the Dutch fresh water area.&#xD;
Water quality of the Dutch surface water is determined by field measurements executed by water&#xD;
managers. With these quality assessments it is not possible to predict possible toxic effects on&#xD;
aquatic ecosystems and efficiently reduce toxic stress. As a result, there is a knowledge gap on the&#xD;
influence of abiotic factors on the quality of aquatic ecosystems. For this reason the National&#xD;
Institute for Public Health and the Environment (RIVM) together with the Institute of Environmental&#xD;
Sciences of Leiden University (CML) were interested in a diagnosis of the effects of abiotic factors&#xD;
on the biodiversity in the fresh water areas of the Netherlands. Therefore the following research&#xD;
question is formulated: Which abiotic factors have an effect on the biodiversity of macroafauna in&#xD;
the three Dutch river basins and what is the relative contribution of these abiotic factors?&#xD;
To perform this diagnosis, fresh water monitoringsdata of 2008, collected by Dutch water&#xD;
managers, were requested. Complete fresh water datasets with ecological data based on&#xD;
macrofauna species and data of the following abiotic factors: phosphate, kjeldahl nitrogen,&#xD;
chloride, pH, transparency, biochemical oxygen demand, width and depth of the water bodies,&#xD;
water flow, water hardness, 44 pesticides and eight heavy metals from 99 sample sites were used&#xD;
in the diagnosis.&#xD;
Next the ecological water quality (macrofauna biodiversity) per site was calculated. Then the&#xD;
influence of the abiotic factors on the variance in the macrofauna data was analyzed with a&#xD;
multivariate method, the redundancy analysis. The abiotic factors water flow and pH had a bigger&#xD;
influence than for example the heavy metals and pesticides, which were of very little influence. The&#xD;
variation of abiotic factors in this study had only a very limited effect on the composition of the&#xD;
macrofauna in the three fresh water areas of the Netherlands. Only 16% of the variance of the&#xD;
macrofauna population could be explained by the abiotic factors. A plausible explanation for this&#xD;
effect is that at almost all locations the biodiversity of the macofauna was low and at almost all&#xD;
sites negative dominant macrofauna species were observed. Negative dominant taxa only occur&#xD;
under disturbed water conditions. Positive dominant and characteristic species, which occur under&#xD;
reference water conditions, were observed at just a few locations in low numbers. Regarding the&#xD;
limited effects of the various abiotic factors on the variation of the macrofauna, it is quite possible&#xD;
that the negative dominant species, which were observed at almost all locations, were relatively insensitive to the variation in the abiotic factors in this study.
Description: Onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Bilthoven en het Centrum voor&#xD;
Milieuwetenschappen Leiden.</description>
    <dc:date>2012-11-27T00:00:00Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/4554">
    <title>De kracht van Spartina anglica. Overlevingskans van Spartina anglica onder stress op schorren in het Schelde estuarium</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/4554</link>
    <description>Title: De kracht van Spartina anglica. Overlevingskans van Spartina anglica onder stress op schorren in het Schelde estuarium
Authors: Hartog, Arjen
Abstract: Samenvatting - Volgens de voorspellingen van het IPCC en het KNMI zal de komende eeuw de temperatuur op aarde gaan stijgen. Enkele mogelijke gevolgen, die van invloed zijn op Nederland, zijn dat de zeespiegel zal stijgen en dat de intensiteit van stormen zal gaan toenemen. Deze gevolgen van de temperatuursverhoging kunnen van invloed zijn op de schorren en slikken in de Westerschelde. De Westerschelde is het Nederlandse deel van het Schelde-estuarium waar zoet en zout water in elkaar overgaan. De hierdoor ontstane gradiënt heeft gevolgen voor de flora op de slikken en schorren. Eén van de pioniersplanten op die slikken en schorren is Spartina anglica, in het Nederlands Engels slijkgras genaamd. S. anglica is gekozen als model voor een onderzoek naar de overleving van planten op schorren en slikken. De vraag voor dit onderzoek was: Hoe hangt de overlevingskans en groei van Spartina anglica zaailingen af van stress en verstoring, die tijdens de groei ondervonden wordt van de factoren: sedimentinstabiliteit, inundatieduur, initiële plantgrootte en stormachtige omstandigheden; vergeleken op geëxponeerde en beschutte locaties in de Westerschelde?&#xD;
Om een antwoord te geven op bovenstaande zijn in dit onderzoek een aantal verschillende experimenten uitgevoerd. Ten eerste werden er op drie verschillende locaties in de Westerschelde (Paulinapolder, Baarland en Zuidgors) op schorren en slikken zaailingen van S. anglica geplant. De planten zijn geplant langs een hoogtegradiënt van schorrand tot laagwaterlijn. Van deze planten is de overleving en groei bepaald. De drie locaties zijn gekozen vanwege de verschillende factoren die invloed kunnen hebben op de overleving en groei van S. anglica. Daarnaast zijn, op dezelfde plekken waar de zaailingen zijn uitgezet, metingen gedaan om de hoogte van het sediment te bepalen. Tevens zijn er metingen uitgevoerd om de maximale erosie op schorren en slikken te bepalen. Naast deze veldexperimenten zijn er twee stroomgootexperimenten in het laboratorium van het NIOO-CEME in Yerseke gedaan. Eerst werd bepaald of er gekweekte planten in plaats van wilde planten kunnen worden gebruikt in de stroomgootexperimenten. Toen dat bevestigd werd zijn S. anglica planten op verschillende dieptes geplant op het schor van Paulinapolder. Na 3 en 7 maanden zijn de planten geoogst en in de stroomgoot gezet om te bepalen wat de overlevingskans is tijdens stormachtige omstandigheden.&#xD;
Uit de resultaten van het eerste experiment blijkt dat de overlevingskans van de zaailingen afhangt van de hoogte van het sediment (en dus de vegetatiezone) waarin zij geplant werden. Aangetoond is dat de overlevingskans het hoogst is als de verandering van de hoogte van het sediment het kleinst is. Ook is er een verschil in overleving tussen de drie verschillende locaties. Op de beschutte locatie Paulinapolder is de overlevingskans voor S. anglica groter dan op de geëxponeerde locaties Baarland en Zuidgors. Tevens is, daar waar de overlevingskans van de plant het grootst is, de groei (bepaald door aantal shoots, aantal bladeren en de lengte van stengel) ook het hoogst.&#xD;
De experimenten die gedaan zijn in de stroomgoot laten zien dat planten die dieper geplant zijn steviger verankerd zijn dan planten die minder diep geplant zijn. Er moest namelijk bij planten die diep geplant waren meer hoogte van het sediment afgehaald worden voordat de plant knakt in de stroomgoot dan bij planten die minder diep geplant waren. Daarnaast bleek dat hoe dieper de planten geplant waren, hoe korter hun wortels en hoe langer de stengels waren. Dit impliceert dat de plant, wanneer deze dieper in het sediment geplaatst is, meer energie steekt in de groei boven de grond. Wanneer de plant minder diep in het sediment geplaatst is, steekt deze meer energie in de groei van de wortels om zich beter te verankeren.&#xD;
Met deze experimenten is geprobeerd aan te tonen of de overleving van S. anglica zaailingen afhangt van stress en verstoring. Er is aangetoond dat de overlevingskans van S. anglica afneemt als de verandering van de hoogte van het sediment toeneemt. Deze sedimentverandering wordt groter dichter bij de laagwaterlijn en dus lager op de slikken. Tevens zijn de planten die het diepst in het sediment geworteld zijn het best bestand tegen een grote sedimentverandering. De planten die het minst onder invloed staan van stress en verstoring hebben de grootste kans op overleving en vertonen een betere groei. Dit zijn de planten die op hogere plaatsen (de pionierszone) staan, waar de sedimentverandering het kleinst is.&#xD;
&#xD;
Summary - According IPCC and KNMI predictions, global temperatures will rise in the coming century. Some possible consequences, affecting the Netherlands, are that sea levels will rise and that the intensity of storms is expected to increase. These effects of the temperature increase may affect the salt marshes and mudflats in the Westerschelde. The Westerschelde is the Dutch part of the Scheldt estuary where fresh and salt water meet. This gradient in salt water has an effect on plant life on mudflats and salt marshes. One of the pioneer plants on the mudflats and salt marshes is Spartina anglica, in English cord grass. S. anglica has been chosen as model for my research into the survival of plants in salt marshes and mudflats. The main question for this research was: how do the survival and growth of Spartina anglica seedlings respond to stress and disturbance caused by the factors „sediment instability‟, „flood duration‟, „initial plant size‟ and „stormy conditions‟; on exposed as well as sheltered sites in the Westerschelde?&#xD;
To answer the research question, a number of different experiments have been carried out. First, S. anglica seedlings were planted on salt marshes and mudflats at three different locations in the Westerschelde (Paulinapolder, Baarland and Zuidgors). The seedlings were planted along a height gradient, from the cliff of the salt marsh towards the low waterline. The three locations were chosen for their difference in factors that can lead to a difference in survival and growth of S. anglica. In addition, at the same places where the seedlings were planted, measurements were done to determine the height of the sediment. Also, measurements were performed to determine the maximum erosion at these salt marshes and mudflats. In addition to these field experiments, two flume experiments were carried out in the laboratory of the NIOO-CEME in Yerseke. It was first determined whether cultured plants rather than wild plants should be used in the flume experiments. After this has been determined, S. anglica plants were planted at different depths in the sediment on the salt marsh at Paulinapolder. After 3 and 7 months the plants were placed in the flume to determine the survival of these plants during a storm.&#xD;
The results of the first experiment showed that survival depends on the height of the sediment (and thus the vegetation zone) in which they were planted. Proven by this experiment is that the survival of S. anglica seedlings is the highest when the change in the amount of sediment is the least. There was also a difference in survival between the three different locations. On the sheltered location of Paulinapolder the survival rate for S. anglica is larger than the locations of Baarland and Zuidgors which are exposed to the wind. Also at Paulinapolder the survival rate of the plants was the highest, as well as the growth (determined by number of shoots, number of leaves and length of stem).&#xD;
The experiments which were done in the flume showed that plants that were planted deeper were anchored better than plants that were planted less deep. It is necessary to remove more sediment with the plants that were planted more deeply before the plant snaps in the flume than with plants that were planted less deep. The experiment also showed that the deeper the plants were planted, the shorter their roots and the longer the stems were. This implies that the plant when it is placed deeper in the sediment, puts more energy into upwards growth. When the plant is planted in the sediment less deep, it spends more energy on the growth of its roots to anchor better.&#xD;
In these experiments I tried to show that the survival of S. anglica seedlings is affected by stress and disturbance. It is shown that the survival of S. anglica decreases as the change in sediment increases. This change in sediment increases as you get lower on the height gradient. So closer to the low waterline and thus lower at the mudflat the change in sediment is largest. Also, the plants rooted most deeply in the sediment are most resistant to a large sediment change. The plants that are least influenced by stress and disturbance, have the greatest chance of survival and show a better growth. These are the plants at higher pitches (the pioneer zone) where the sediment has the smallest change.
Description: Onderzoek uitgevoerd bij het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek – Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie (NIOO-CEME)</description>
    <dc:date>2012-11-27T00:00:00Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/4553">
    <title>Gen-milieu relaties in congenitale hernia diafragmatica (CHD)</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/4553</link>
    <description>Title: Gen-milieu relaties in congenitale hernia diafragmatica (CHD)
Authors: Brosens, Erwin
Abstract: Centraal in dit onderzoek staat de congenitale afwijking hernia diafragmatica (CHD). CHD is een afwijking in de vorming van het diafragma en naast het niet sluiten van het diafragma wordt CHD verder gekarakteriseerd door long hypoplasie en postnatale pulmonaire hypertensie. Hoewel er nog veel onduidelijkheden zijn, is het waarschijnlijk dat in de overgrote meerderheid van de gevallen de etiologie van CHD multifactorieel is, waarbij zowel genetische als omgevingsfactoren een rol spelen (Beurskens, Klaassens et al. 2007; Klaassens 2007). De belangrijkste milieufactor geassocieerd aan het ontstaan van CHD is vitamine A. (Greer, Babiuk et al. 2003) Genen gedeleteerd in CHD patiënten spelen in bepaalde gevallen een rol in de vitamine A pathway. (Klaassens 2007; Pober 2008) Er ook veel aanwijzingen voor een sterke genetische component bij het ontstaan van CHD. Er zijn familiaire casussen beschreven en verspreid over het genoom zijn copy number variaties (CNV’s) gevonden in CHD kinderen met de complexe CHD variant. (Thomas, Stern et al. 1976; Hitch, Carson et al. 1989; Gibbs, Rice et al. 1997)&#xD;
In dit onderzoek is het effect van de blootstelling aan verschillende concentraties vitamine A op huidfibroblast celculturen van CHD patiënten onderzocht. Deze patiënten hebben een deletie van (een deel van) chromosoom 15. Hoewel op dit moment wordt aangenomen dat niet een overmaat aan vitamine A maar juist een tekort eraan een rol speelt in de etiologie van CHD worden de fibroblast celculturen in dit onderzoek aan een overmaat vitamine A blootgesteld. Binnen de toxicologie worden effecten van lage doses vaak voorspeld uit resultaten met experimenten bij hoge dosisniveaus. (Niesink R. J. M., Vries J. de et al. 1996; Marceau, Gallot et al. 2007) Wij hebben gewerkt onder de hypothese dat genen gedeleteerd bij de onderzochte CHD patiënten een rol spelen in de vitamine A pathway en dat door overstimulering met vitamine A een verstoring van deze pathway kan worden aangetoond. Getracht is een relatie te leggen tussen bekende 15q26 deleties in CHD patiënten en de gevolgen op expressieniveau genoombreed, al dan niet onder invloed van vitamine A.&#xD;
Er zijn geen afwijkende expressiepatronen gevonden onder invloed van ATRA die kunnen worden terug gekoppeld aan de 15q26 deletie in combinatie met de ziekte CHD. Enkele genen uit het deletiegebied hadden wel een afwijkend expressiepatroon, maar dit was ofwel niet onder invloed van ATRA, of slechts in 1 patiënt het geval. Met de gebruikte methoden kon ATRA invloed niet worden geassocieerd met de CHD afwijking in combinatie met de 15q26 deletie. Opmerkelijk was wel dat belangrijke genen betrokken bij ATRA metabolisme (CRABP2 en CYP26A1) wel anders reageerden op de blootstelling. Mogelijk kan hier dus wel een verband worden gevonden tussen ATRA homeostase en de CHD afwijking. Er wordt geadviseerd de uitkomsten van dit onderzoek eerst te valideren met een andere techniek dan gebruikt in dit onderzoek. Bovendien wordt aangeraden om bij een positieve validatie verder onderzoek naar ATRA homeostase in CHD patiënten zonder een chromosomale 15q26 deletie uit te voeren.</description>
    <dc:date>2012-11-27T00:00:00Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/4552">
    <title>Wonen in energiezuinige woningen. Hoe gezond en tevreden zijn de bewoners?</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/4552</link>
    <description>Title: Wonen in energiezuinige woningen. Hoe gezond en tevreden zijn de bewoners?
Authors: Hakkenes, Monique
Abstract: Samenvatting - Ieder huishouden gebruikt energie. Huishoudens gebruiken 22% van de totale hoeveelheid elektriciteit en 35% van de totale hoeveelheid aardgas die in Nederland gebruikt wordt. Wordt gekeken naar het energiegebruik van de gebouwde omgeving in Nederland, dan gebruiken huishoudens 42% van de elektriciteit en 60% van het aardgas. De meeste energie in een woning wordt gebruikt voor verwarmen (ongeveer 50%), bereiding van warm water (ongeveer 20%) en het gebruik van apparatuur. De energiebehoefte wordt voornamelijk door fossiele brandstoffen voldaan, maar fossiele brandstoffen veroorzaken milieuproblemen zoals de uitstoot van broeikasgassen. Bovendien is de voorraad fossiele brandstoffen eindig. Daarom wordt er steeds energiezuiniger gebouwd. Hoe gezond en tevreden bewoners van energiezuinig gebouwde woningen zijn is de onderzoeksvraag van deze studie.&#xD;
Warmte in de woning gaat met name verloren door de schil van het gebouw (68%) en door ventilatie (20%). De energie die nodig is voor verwarmen en ventilatie kan gereduceerd worden door de schil van het gebouw te isoleren, de keuze van ventilatie- en verwarmingsapparatuur (gebouwgebonden apparatuur), terugwinnen van warmte bij ventilatie, optimaal gebruik maken van zonnewarmte en het gebruiken van duurzame energiebronnen. Bouwkundige maatregelen spelen een belangrijke rol omdat zij de hele levensduur van de woning meegaan en nauwelijks te veranderen zijn. Dit in tegenstelling tot de installatie.&#xD;
Regelgeving beïnvloedt het energiegebruik van de gebouwgebonden apparatuur sterk. Een belangrijk voorbeeld van regelgeving is de Energie Prestatie Norm (EPN) met daaraan gekoppeld de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC), die het maximaal toelaatbare gebouwgebonden primaire energiegebruik van nieuwbouwwoningen aangeeft.&#xD;
Bewoners van de woning spelen een grote rol in het energiegebruik. Een woning kan nog zo energiezuinig gebouwd worden, als de bewoner niet op zijn gedrag let, hebben de energiezuinige maatregelen weinig effect. De twee belangrijkste voorbeelden van gedrag wat bewoners van energiezuinig gebouwde woningen moeten veranderen zijn geen ramen openzetten bij gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning en de thermostaat ‟s-nachts niet lager zetten bij lage temperatuur verwarming.&#xD;
Verder moet er in goed geïsoleerde woningen rekening gehouden worden met de interne warmtelast: bij gebruik van elektrische apparatuur ontstaat warmte, die in een goed geïsoleerde woning minder goed weg kan. Ook moet de gebouwgebonden apparatuur goed onderhouden worden: niet goed onderhouden apparatuur gebruikt meer energie en werkt minder goed.&#xD;
Het is moeilijk om gedrag van mensen te veranderen en men wil geen comfort inleveren om energie te besparen. Ontwerpers moeten zich daarom realiseren dat het riskant is om van bewoners te vragen om gewoontegedrag te wijzigen.&#xD;
Verkeerd gebruik van de apparatuur in combinatie met een goed geïsoleerde woning kan een negatieve invloed hebben op het binnenklimaat. Dit kan gevolgen voor de gezondheid van de bewoners hebben. Met name ventilatie is belangrijk omdat dit nodig is voor het handhaven van een gezond binnenmilieu. Hoe meer er geventileerd wordt, hoe beter het binnenmilieu. Maar ventilatie heeft ook invloed op het energiegebruik en het thermisch comfort. Ook kunnen ventilatiesystemen (net zoals verwarmingssystemen) geluidsoverlast geven en stof in beweging zetten. Naast het binnenklimaat hebben het thermische binnenklimaat en daglichttoetreding invloed op het welbevinden en de gezondheid.&#xD;
&#xD;
Met behulp van een enquête is onderzocht wat de verschillen zijn tussen energiezuinige en niet energiezuinig gebouwde woningen, wat betreft tevredenheid met de woning, gebruik apparatuur, gedrag en gezondheid van de bewoners.&#xD;
Uit de enquête kwam naar voren dat oudere, niet energiezuinig gebouwde woningen het beste worden gewaardeerd, onder andere omdat men in deze woningen meer invloed kan uitoefenen op het instellen van de temperatuur in de woning en de ventilatie. Vooral het open kunnen zetten van een raam is een belangrijke factor, wat in energiezuinig gebouwde woningen vaak niet mogelijk is. Bewoners van nieuwere, niet energiezuinig gebouwde woningen zijn niet tevreden met de temperatuur in de woning in de zomer. Energiezuinig gebouwde woningen hebben vaak een warmtepomp die ook kan koelen, zodat het in deze woningen niet te warm wordt. In goed geïsoleerde woningen met energiezuinige apparatuur voor ventilatie en verwarmen weten de bewoners minder goed hoe de apparatuur werkt en de bewoners hebben vaker een (onterecht) vermoeden dat eventuele gezondheidsklachten door de woning komen.&#xD;
Wat energie gerelateerd bewonersgedrag betreft is er bij alle typen woningen verbetering mogelijk, met name bij de tijd die men onder de douche staat, het lager zetten van de verwarming als men de woning verlaat (met name bij oudere woningen) en het ventilatiegedrag. Bewoners van energiezuinig gebouwde woningen geven aan met het binnenmilieu in de woning bezig te zijn, maar vaak gebeurt dit niet op de goede manier, waardoor onnodig energie verloren gaat, zoals het dagelijks openzetten van ramen.&#xD;
Wat de gezondheid betreft hebben bewoners van nieuwe, niet energiezuinig gebouwde woningen de meeste klachten. Kinderen die in oude, niet energiezuinig gebouwde woningen wonen hebben de minste klachten.&#xD;
Apparatuur om de woning energiezuiniger te maken lijkt in dit onderzoek geen negatief effect te hebben op het aantal gezondheidsklachten: in woningen met mechanische aanvoer van de buitenlucht hebben de bewoners ongeveer evenveel klachten als in identieke woningen met natuurlijke aanvoer. Volwassen bewoners van woningen met een warmtepomp hebben iets minder klachten als bewoners van identieke woningen met een HR- ketel.&#xD;
De energiezuinig gebouwde woningen gebruiken ongeveer de helft van de energie die de oudere woningen gebruiken. Als er naar het primaire energiegebruik gekeken wordt, dan zijn de energiezuinig gebouwde woningen nog steeds het meest energiezuinig, maar het verschil is minder groot: niet energiezuinig gebouwde woningen met een relatief laag energiegebruik, gebruiken nu evenveel energie als energiezuinig gebouwde woningen met een relatief hoog energiegebruik.&#xD;
De uit deze studie naar voren gekomen onbekendheid met energiebesparende gebouwgebonden apparatuur en bewonersgedrag maakt duidelijk dat bewoners van zowel oude als nieuwe woningen voorgelicht moeten worden over correct gebruik van gebouwgebonden apparatuur, de gezondheidseffecten van bepaald gedrag en wat men zelf kan doen om deze effecten de minimaliseren. Bij voorlichting moet er een onderscheid gemaakt worden tussen oude en nieuwe woningen. Voor bewoners van oudere woningen moet de voorlichting vooral gericht zijn op het isoleren van de woning, gasgebruik voor verwarming en manier van ventileren. Voor bewoners van nieuwe woningen moet de voorlichting vooral gericht zijn op juist ventileren, gebruik van apparatuur en warmwatergebruik. Een gebruiksaanwijzing bij een woning kan de bewoners ondersteunen bij het vertonen van het juiste gedrag.&#xD;
&#xD;
Summary - Every household uses energy. Residential developments in the Netherlands will consume 22% of the total amount of electricity produced and 35% of of the total amount of gas extracted. With respect to urban energy consumption in the Netherlands, this will take up 42% of electricity and 60% of natural gases available. Most of the energy resources residential properties and tenements employ are for heating (approximately 50%), boiling water (about 20%), and running electrical household goods. Energy requirements are currently still largely being met by fossil fuels – yet fossil fuels will also bring on environmental issues (e.g. CO2 emission). Besides, fossil fuel deposits are finite: the very reason that construction is carried out with increasing awareness of energy economics involved. Hence, this study is about the state of health and wellbeing of residents living in energy-friendly housing.&#xD;
Loss of interior heat occurs mainly via the structure's "peel" (68%) and also because of ventilation (20%). Energy requirements for heating and ventilation may be reduced by insulating the “peel”, choice (i.e structure-related) ventilation and heating units, regaining heat loss as caused by ventilation, optimal usage of solar conduits and employing durable energy resources. Preliminary architectural precautions should be a major feature too, since those will actually be there as long as the structure's will be in existence and can hardly be altered; this in contrast with matters relating to installation.&#xD;
A strong influence on structure-related energy commodities is regulation. An illustrious example of this is EPN (Energie Prestatie Norm – the meaning of which is Energy Achievement Standard), in association with EPC (standing for Energie Prestatie Coëfficiënt – Energy Achievement Coefficient, in English); both are serving as indicators for the maximum ceiling permissible – as far as new residential development is concerned – with regard to structure-related primary energy consumption.&#xD;
Another major factor in energy deployment is people inhabiting the property: a residential development may have been designed and constructed with the greatest possible attention to energy economics – but this will amount to very little if the occupants are not aware of their own behaviour. Two of the most important occurrences as to conduct inhabitants of an energy-friendly development should be altering, with a view of regaining heat, are leaving windows open whilst using balanced ventilation and refraining from turning the thermostat down if the radiator's temperature is already low.&#xD;
Pressures on interior heat should also be taken into account: from active electrical gadgets surplus heat will derive – which, in a well-insulated structure, is less likely to escape. Structure-related energy-saving equipment should also be conscientiously maintained: if general maintenance leaves anything to desire, energy consumption is likely to mount and may even cause malfunctions.&#xD;
Changing human behaviour remains problematic, generally speaking, since people are not really prepared, broadly, to relinquish luxury in order to save on energy. Therefore, designers should be well aware of the risks connected with ordering inhabitants to abandon their behavioural comfort zones.&#xD;
Incorrect usage of equipment, if combined with a property well-insulated, may negatively affect interior climate regulation – which might lead to health consequences for the occupants involved. Hence, ventilation – more in particular – is of importance, since this is necessary in&#xD;
&#xD;
order to maintain a sound interior environment: the more ventilation there is, so much the better the quality of the interior environment will be. Ventilation, however, will also be of influence on overall energy levels and, furthermore, thermal comfort. Additionally, ventilation systems may cause noise pollution (just like heating systems) and move dust particles around. After interior climate regulation, thermal conditions and daylight entry will also have an effect on health and wellbeing.&#xD;
Aiding to understanding the differences between energy-specific and none-energy-specific residences – with respect to inhabitant satisfaction regarding their house, use of equipment, behavioural patterns and general health – was a survey.&#xD;
From this transpired that older buildings not designed with energy economics in mind are best appreciated, since in this type of residential housing more influence can be asserted as to – amongst others – regulating temperature and ventilation. Being able to open a window, especially, seems of the essence – something all too often impossible in an energy-friendly design.&#xD;
On the other hard, inhabitants of newer developments in which, originally, energy economics were not of primary concern seem not content with interior temperatures as evolving during the summer season. In residential projects designed and built with energy savings in mind, heat pumps doubling as cooling units are often included, with the purpose of preventing overheating. Occupants of well-insulated properties provided with custom-made ventilation and heating facilities, however, seem less well informed, on average, about the ways and manners in which those mod cons are actually functioning; hence the regular (yet incorrect) suspicion as to the building itself being a possible cause of health issues arising.&#xD;
As to inhabitant behaviour in association with energy economics, in every type of residential housing imaginable, plenty of room for improvement still remains: in time spent under the shower, for one; in turning the radiator down (notably in older houses) before leaving the premises; and in ways and manners to go about with regard to ventilation. Those living in energy-economic accommodation profess to attend to the interior environment (as in opening windows daily), but often this isn't seen to correctly – and cause of avoidable energy loss.&#xD;
Complaining most of all, in terms of health, are those from recently developed accommodations not designed and built to incorporate energy-saving measures. Contrastingly, children from old accommodations not designed and built to incorporate energy-saving measures are least.&#xD;
Gadgetry in aid of pushing everyday energy economics towards slightly higher levels doesn't seem to have undue effect on the number of health complaints emerging: complaints from residences where fresh air is produced by some mechanical device are practically equaling with those from identical dwellings where air from outdoors enters naturally. Adult occupants of residences in which a heat pump has been installed seem to be slightly less bothered than those from identical buildings with a HR unit.&#xD;
Residences built to energy-economic specifications will use about half the amount of the energy their older, non-economy counterparts consume. In view of primary energy consumption as a whole, designs executed with energy economics in mind are still at the top, with regard to energy savings – yet discrepancies seem to be decreasing: at present, a residence not built to energy-economic specifications, yet its energy consumption rate&#xD;
&#xD;
relatively low, will now use as much energy as an energy-economic one with a relatively high energy consumption rate.&#xD;
General unfamiliarity with energy-saving, structure-related equipment, as transpiring from this study, evidently suggests that inhabitants of both old and new developments need to be educated in handling structure-related equipment correctly, in health effects certain behaviour may lead to and in measures to take in order to minimalise those effects. Further education should be differentiating between old structures and recent ones. Instruction as such – with respect to the former – has to focus on correct ventilation, how to handle structure-related equipment responsibly and hot water management. A manual for the property itself may be supportive in assisting inhabitants in achieving the kind of behaviour desired.</description>
    <dc:date>2012-11-27T00:00:00Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/4551">
    <title>Natuurcompensatie. Kansen voor en door natuurcompensatie bij de aanleg of verbreding van wegen</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/4551</link>
    <description>Title: Natuurcompensatie. Kansen voor en door natuurcompensatie bij de aanleg of verbreding van wegen
Authors: Kaaij, Cock van der
Abstract: Natuurcompensatie is bij infrastructurele projecten, zoals de aanleg of verbreding&#xD;
van wegen, inmiddels een wettelijk afgedwongen vanzelfsprekendheid. Bij&#xD;
natuurcompensatieprojecten zijn vele organisaties en personen betrokken, die vaak&#xD;
actief participeren in meerdere natuurcompensatieprojecten. Wettelijk gezien zijn er&#xD;
slechts twee partijen écht nodig: de initiatiefnemer en het bevoegd gezag. De&#xD;
initiatiefnemer kan er vervolgens voor kiezen om ook andere overheden,&#xD;
maatschappelijke organisaties en marktpartijen erbij te betrekken. De motivatie om&#xD;
dit te doen kan heel verschillend zijn: soms worden anderen uitgenodigd om te&#xD;
participeren zodat het project dat de natuur aantast geen uit- of afstel oploopt. Een&#xD;
andere keer is er een intrinsieke motivatie om de natuur vooruit te helpen. Ondanks&#xD;
of zelfs dankzij de ingreep.&#xD;
Rijkswaterstaat Noord-Brabant was benieuwd of er door de verschillende overheden&#xD;
– rijk, provincies en gemeenten – verschillend werd omgegaan met&#xD;
natuurcompensatie. Om dit te toetsen werden zes natuurcompensatieprojecten&#xD;
onder de loep genomen en vond een evaluatie plaats op ecologische, juridische en&#xD;
bestuurlijke aspecten. De waargenomen ervaringen zouden handvatten kunnen&#xD;
bieden om meer kansen te benutten voor en door natuurcompensatie.&#xD;
Het onderzoek is uitgevoerd als afstudeeropdracht voor de masteropleiding&#xD;
milieunatuurwetenschappen van de Open Universiteit.&#xD;
Stap 1&#xD;
Allereerst wilde RWS weten of deelnemers per project maatwerk leveren of dat er&#xD;
sprake is van een projectoverstijgend kader. De eerste fase van dit onderzoek laat&#xD;
zien dat dat kader nauwelijks aanwezig is. Organisaties, inclusief RWS, bekijken per&#xD;
project of en hoe er deelgenomen wordt. Projectoverstijgend is gekeken hoe&#xD;
tevreden men over zichzelf én over andere betrokken organisaties is op het gebied&#xD;
van ecologische kennis, juridische kennis, kennis van beleid, gebruik van netwerken&#xD;
en van kostenbewustzijn. &#xD;
Uit de eerste onderzoeksfase blijkt ook dat er geen enkele groep van betrokkenen is&#xD;
die alle kennis of vaardigheden in huis heeft om leidend te kunnen zijn op alle&#xD;
terreinen. Er is steeds een mix nodig van diverse overheidsorganisaties,&#xD;
marktpartijen en maatschappelijke organisaties als je de best beschikbare kennis en&#xD;
vaardigheden optimaal wilt benutten. Als we uitgaan van het totaalbeeld zoals dat in&#xD;
figuur S1 is te zien, dan is de ideale mix:&#xD;
• voor ecologische kennis: maatschappelijke organisaties,&#xD;
• voor gebruik van netwerken: maatschappelijke organisaties,&#xD;
• voor juridische kennis: overige overheden (is minus RWS),&#xD;
• voor kennis over beleid: overige overheden,&#xD;
• voor kostenbewustzijn: markt.&#xD;
Voor een optimale benutting van de verschillende soorten kennis is in ieder geval&#xD;
samenwerking tussen de verschillende partijen onontbeerlijk.&#xD;
Stap 2&#xD;
In de tweede fase stond de volgende vraag centraal: wat kunnen we leren van een&#xD;
zestal infrastructuurprojecten waarin natuurcompensatie werd uitgevoerd? De&#xD;
volgende zes projecten zijn aan een quick scan onderworpen: A73 – zuid: Venlo-&#xD;
Echt, A50 – Eindhoven-Oss, Tilburg Noordwest Tangent, A76 – oprit Voerendaal,&#xD;
N261 – reconstructie tussen Waalwijk en Tilburg, Viaduct Zuidwillemsvaart&#xD;
Someren. Van deze zes projecten was 2 keer het rijk, 2 keer een provincie en 2&#xD;
keer een gemeente de initiatiefnemer.&#xD;
Een doel was om inzicht te krijgen in de belangen van de betrokken organisaties. Er&#xD;
lijkt geen sprake (meer) te zijn van een conflict tussen doelen van de ingreep en de&#xD;
(eigen) organisatiebelangen. De helft van de respondenten had met deelname aan&#xD;
het natuurcompensatieproject verkeerskundige belangen voor ogen, de andere helft&#xD;
natuurbelangen.&#xD;
Voor iedereen was de doelbereiking minstens volgens verwachting, voor 1/3 zelfs&#xD;
erboven. Het betreft hier kwalitatieve uitspraken, waarbij een enkele keer&#xD;
gesuggereerd werd dat er geen hoge doelen werden nagestreefd.&#xD;
Deelnemers waren vooral betrokken vanuit een intrinsieke natuurwaarde, 40% zette&#xD;
zich ook in voor extensief menselijk recreatief medegebruik van de natuur.&#xD;
Opvallend is dat vooral de gemeentelijke respondenten beide waarden hebben&#xD;
aangevinkt.&#xD;
Vervolgens kwam het verzoek om kwalitatieve uitspraken te doen over ecologische&#xD;
aspecten. Een kwart van de respondenten vond dat er te weinig ecologische&#xD;
informatie voor handen was of dat deze teveel verborgen was. De ontevredenheid&#xD;
zit vooral bij de rijksprojecten. Tevredenheid is er over de gemaakte beschrijvingen&#xD;
van de aanwezige natuurwaarden en over de gekwantificeerde effecten van de&#xD;
ingreep op de natuur.&#xD;
Vooral de provinciale en rijksrespondenten zien vanuit het natuurbelang liever dat&#xD;
aankoop, inrichting en beheer van natuurcompensatieterreinen in één hand komt.&#xD;
Het LEI constateerde in 2005 dat het aan kennis ontbreekt om te kunnen&#xD;
beoordelen of natuurcompensatieprojecten een ecologisch nut hebben. Volgens&#xD;
enkele respondenten klopt dat en hebben de natuurcompensatieprojecten vooral&#xD;
een juridisch nut zodat een ingreep geen uit- of afstel oploopt. Ruim 80% van de&#xD;
respondenten vindt echter dat zonder deze projecten de natuur er in Nederland&#xD;
(nog) slechter voor staan.&#xD;
Een deel van de respondenten vindt dat door het natuurcompensatieplan het&#xD;
landschap eerder beter dan slechter is geworden. Een groter deel is van mening dat&#xD;
de natuur beter is geworden door (de uitvoering van) het natuurcompensatieplan.&#xD;
De meest voorkomende uitspraak is: natuur beter, landschap slechter.&#xD;
In het 3e item in dit onderzoeksdeel probeerden we inzicht te krijgen in de omgang&#xD;
met beleidsmatige aspecten. Conform andere onderzoeken vindt vrijwel iedereen&#xD;
dat initiatiefnemers van een ingreep zorgvuldig met de wet- en regelgeving voor&#xD;
natuurcompensatie omgaan. Ook weinig verrassend: iedereen vond de aandacht&#xD;
voor fysieke compensatie in natuurcompensatieplannen terecht, ruim de helft was&#xD;
ook te spreken over de aandacht voor het vermijden van negatieve effecten en voor&#xD;
het treffen van mitigerende maatregelen.&#xD;
Grondverwerving voor natuurcompensatie blijkt een complex en onderschat&#xD;
probleem. Ongeveer 1/3 van de respondenten merkt op dat de resultaten voor de&#xD;
natuur beter hadden kunnen zijn als de grondverwerving makkelijker gaat.&#xD;
Onteigening zou voor natuurcompensatie een beschikbaar instrument moeten zijn.&#xD;
Vooral de respondenten van de rijksprojecten hebben vertrouwen in de rechterlijke&#xD;
deskundigheid.&#xD;
Ruim de helft van de respondenten denkt dat door het compensatiebeginsel&#xD;
makkelijker gebouwd wordt. Hier valt op dat vooral de respondenten van&#xD;
gemeentelijke projecten deze mening zijn toegedaan. We keken ook hoe de&#xD;
verdeling is tussen overheden, maatschappelijke organisaties en marktpartijen.&#xD;
Overheden, los ervan of zij nu betrokken zijn bij projecten op initiatief van rijk,&#xD;
provincie of gemeente, blijken het meeste vertrouwen te hebben in het remmende&#xD;
effect van natuurcompensatiewetgeving op bouwen in compensatieplichtige&#xD;
gebieden. De respondenten van marktpartijen zien de wet- en regelgeving wellicht&#xD;
zelfs als kans om meer te kunnen bouwen.&#xD;
Het laatste item waarnaar gevraagd werd, was over het gebruik van relevante&#xD;
netwerken. Omwonenden, andere overheden en belangenorganisaties hebben vaak&#xD;
het gevoel dat zij er (te) laat bij betrokken worden. Een grote meerderheid van de&#xD;
respondenten vond dat prima. Niet duidelijk is geworden of de respondenten de (te)&#xD;
late externe communicatie bewust ingezet hebben.&#xD;
80% vindt dat maatschappelijk en/of bestuurlijk draagvlak voor&#xD;
natuur(compensatie)projecten niet het probleem is, maar dat meer bestuurlijke&#xD;
daadkracht nodig is. Vooral bij de respondenten van de gemeentelijke projecten&#xD;
wordt de bestuurlijke daadkracht node gemist.&#xD;
Als oorzaak van langdurige en slepende natuurcompensatietrajecten wordt&#xD;
regelmatig de onervarenheid van betrokken personen of organisaties genoemd.&#xD;
Over de omgang met die onervarenheid wordt heel verschillend gedacht. Niet laten&#xD;
deelnemen tot aan inhuren van deskundigen op kosten van de initiatiefnemer&#xD;
vormen het brede pallet aan oplossingen voor dit probleem. Dat meer&#xD;
samenwerking mogelijk en nodig is, onderschrijft iedereen.&#xD;
In deze 2e stap zijn geen bewijzen gevonden of RWS wellicht meer of zelfs te veel&#xD;
doet aan natuurcompensatie in vergelijking met andere overheden. Wel zijn er&#xD;
enkele aanwijzingen voor het tegenovergestelde:&#xD;
- respondenten van gemeentelijke projecten noemen vaker het natuurbelang als&#xD;
drijfveer,&#xD;
- vooral bij rijksprojecten is men van mening dat natuur en/of landschap er op&#xD;
achteruitgegaan is.&#xD;
Stap 3&#xD;
De resultaten van de quick scan uit fase 2 dienden vervolgens als basis voor een&#xD;
verdiepingsslag van het project Tilburg Noordwest Tangent. De natuurcompensatie&#xD;
was ondergebracht in een multidisciplinair gebiedsplatform, genaamd de Groene&#xD;
Mal. In een paneldiscussie met (ervarings)deskundigen van de Groene Mal bleek dat&#xD;
belangrijke factoren voor het succes van de Groene Mal waren:&#xD;
- focus op relaties en het beschouwen van de activiteiten van de Groene Mal als&#xD;
vorm van relatiebeheer, waarbij men elkaar regelmatig wat gunde,&#xD;
- een gebiedsgerichte aanpak vanuit verschillende domeinen,&#xD;
- een samenwerkende bestuursstijl,&#xD;
- duidelijk is dat er niet zondermeer gesproken kan worden van een technocratisch,&#xD;
een puur economisch of een zuiver ecologisch probleem; wel van een complex&#xD;
probleem met sociale dimensies.&#xD;
Conclusie&#xD;
De eindconclusie is dat er voor een goed verloop van natuurcompensatieprojecten&#xD;
steeds een mix van actoren en een mix van bestuursstijlen noodzakelijk is. De&#xD;
samenstelling van de mix kan per fase en/of per deelnemer verschillen. Aangezien&#xD;
de initiatiefnemer zichzelf vaak ziet als centraal sturende actor - waar anderen&#xD;
uitgaan van een meer gelijkwaardige positie – kan deze pogen het groepsproces te&#xD;
sturen.&#xD;
Een initiatiefnemer kan kiezen uit drie stijlen van sturen: de hiërarchische aanpak&#xD;
(‘ik bepaal’), de netwerkaanpak (‘we zoeken overeenstemming’), of de&#xD;
marktgerichte aanpak (‘regelt u het zelf maar’). De drie stijlen lijken elkaar uit te&#xD;
sluiten. Beter is het om ze slim te combineren. De deelnemers in dit onderzoek&#xD;
lieten blijken dat ze een strikte hiërarchische sturing willen aanvullen met een&#xD;
aanpak die meer gericht is op zelfregulering (marktsturing) en consensus&#xD;
(netwerksturing). Bewust of onbewust lijken bestuursstijlen gecombineerd te&#xD;
worden. Organisaties die dit bewust doen weten goed hoe de hazen lopen en passen&#xD;
specifieke strategieën toe. We troffen dit aan bij de natuurorganisaties in de Groene&#xD;
Mal. Ze kennen hun beperkingen, maar zijn bereid de grenzen op te zoeken van hun&#xD;
beslissingsruimte. Een belangrijke eigenschap is dat ze vanuit meer perspectieven&#xD;
kunnen kijken.&#xD;
Aanbevelingen&#xD;
Op basis van dit onderzoek is er een aantal aanbevelingen aan RWS te doen:&#xD;
- benoem naast juridische en verkeersdoelen ook ecologische en bestuurlijke&#xD;
doelen,&#xD;
- denk kritisch na over de huidige scheiding aankoop/inrichting en beheer van&#xD;
compensatieterreinen,&#xD;
- kijk naar je rol en positie in relevante netwerken,&#xD;
- maak meer gebruik van de kennis en vaardigheden van andere actoren,&#xD;
- sta burgers minder vaak te woord via specialisten,&#xD;
- beschouw natuur en mobiliteit als twee kanten van dezelfde medaille (die&#xD;
leefbaarheid heet),&#xD;
- geef natuur en landschap een prominentere plek bij de verkenningen en de&#xD;
tracékeuze,&#xD;
- maak sneller gebruik van het recht op onteigening, waardoor de onzekerheid voor&#xD;
met name boeren korter duurt,&#xD;
- breidt gebiedsgericht daar waar mogelijk of nodig uit door het koppelen van&#xD;
meerdere natuur(compensatie)projecten en/of naar andere domeinen.&#xD;
De laatste aanbeveling laat zien dat er door natuurcompensatie kansen kunnen&#xD;
ontstaan. Een slimme combinatie van bestuursstijlen levert meer op dan volharden&#xD;
in alleen een markt- of een netwerkbenadering. Ook de derde stijl, de hiërarchische&#xD;
aanpak, geeft in sommige situaties simpelweg de beste resultaten. RWS zou dat in&#xD;
passende situaties niet uit de weg moeten gaan.&#xD;
De kansen voor natuurcompensatie kunnen verder vergroot worden door meer&#xD;
gebruik te maken van ervaringen in het buitenland. De interesse hiervoor bleek met&#xD;
name bij de presentatie van de resultaten uit de eerste fase aan de mensen van de&#xD;
Raad voor Vastgoed Rijksoverheid. RWS zou dit aan kunnen zwengelen.
Description: Het onderzoek is uitgevoerd op initiatief van Rijkswaterstaat in Noord-Brabant.</description>
    <dc:date>2012-11-27T00:00:00Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/3713">
    <title>Verzekerbaarheid van overstromingsrisico's in buitendijkse riviergebieden</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/3713</link>
    <description>Title: Verzekerbaarheid van overstromingsrisico's in buitendijkse riviergebieden
Authors: Lengkeek, R
Abstract: in deze scriptie wordt verslag gedaan van een onderzoek naar de vraag of overstromingsrisico's te verzekeren zijn voor nieuwbouwwoningen in buitendijkse riviergebieden. Daarbij wordt oa aandacht gegeven aan de geldende wetgeving</description>
    <dc:date>2011-10-18T10:11:01Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/3709">
    <title>Carbon dioxide sequestration: olivine distribution in Mozambique for the purpose of sequestering CO2</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/3709</link>
    <description>Title: Carbon dioxide sequestration: olivine distribution in Mozambique for the purpose of sequestering CO2
Authors: Ernes, M
Abstract: this thesis investigates the question if sequestering CO2 by using Olivine is a substitute for gravel road building. It looks at Mozambique and is especially interested in the economic, technical and environmental options.</description>
    <dc:date>2011-10-18T09:17:51Z</dc:date>
  </item>
  <item rdf:about="http://hdl.handle.net/1820/3672">
    <title>Belang van lerende teams voor de duurzame stedelijke ontwikkeling in Nederland</title>
    <link>http://hdl.handle.net/1820/3672</link>
    <description>Title: Belang van lerende teams voor de duurzame stedelijke ontwikkeling in Nederland
Authors: Op de Laak, X
Abstract: in deze scriptie wordt verslag gedaan van een onderzoek naar de vraag in hoeverre teams binnen grootstedelijke projecten Lerende Teams zijn. Daarbij wordt mn aandacht gegeven aan de bijdrage die dergelijke teams kunnen leveren aan een duurzame stedelijke ontwikkeling in Nederland.</description>
    <dc:date>2011-10-11T08:20:38Z</dc:date>
  </item>
</rdf:RDF>

