Open Universiteit

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/1330
Title: Geef mij de feiten, dan geef ik u het recht
Other Titles: Het aanvullen van feiten door de bestuursrechter
Authors: Pije-Post, C.F.E.
Keywords: bevoegdheden
besluiten
onderzoeksmogelijkheden
Issue Date: Aug-2007
Publisher: Open Universiteit Nederland
Abstract: Aan het begin van dit onderzoek is de vraag gesteld binnen welke marge de bestuursrechter ambtshalve de feiten kan aanvullen. De hoofdregel ter beantwoording van die vraag is te vinden in het eerste lid van artikel 8:69 Awb, dat in hoofdstuk twee is besproken. De rechter dient te blijven binnen de daar geschetste omvang van het geding. Dat betekent dat hij zich dient te beperken tot het (onderdeel) van het besluit en tot de daartegen aangevoerde gronden. Daarbij kan die omvang wat ruimer zijn begrensd op de deelgebieden van het bestuursrecht die tot het domein van de Raad behoren, omdat de Raad in sommige gevallen een samenhangcriterium hanteert en zich dan niet strikt beperkt tot de onderdelen die in geschil zijn. Buiten de grenzen van het geding toetst de rechter ambtshalve aan bepalingen van openbare orde en vergaart de daarvoor benodigde feiten zelf. Alleen de belastingkamer van de Hoge Raad denkt daar anders over. De omvang van het geding wordt niet wezenlijk uitgebreid door Europese regels en internationale verdragen, maar kan wel worden beperkt door het handelen en nalaten van partijen in de bestuurlijke voorprocedure en het gezag van gewijsde van eerdere uitspraken. Met de invoering van het gewijzigde artikel 6:13 Awb lijkt de wetgever te hebben beoogd de onderdelenfuik te codificeren en de argumentatieve fuik en de bewijsfuik te versoepelen. Deze twee laatste fuiken werden alleen door de Afdeling gehanteerd. Het lijkt erop dat de Afdeling de argumentatieve fuik sindsdien heeft laten varen, maar het is niet de verwachting dat dit ook met de bewijsfuik zal gebeuren. Het tweede lid van artikel 8:69, Awb verplicht de bestuursrechter om de rechtsgronden aan te vullen. In hoofdstuk 3 is geconstateerd dat de omstandigheid dat de Raad en de Afdeling de grenzen van het geschil niet op dezelfde wijze trekken, doorwerkt in de wijze waarop de bestuursrechter invulling geeft aan de verplichting om de rechtsgronden aan te vullen. De Raad heeft een ruime opvatting over het aanvullen van rechtsgronden en vult binnen de grenzen van het besluit in beginsel alle relevante rechtsgronden aan, met uitzondering van formele bepalingen, die zien op de totstandkoming van een besluit, tenzij dit rechtsregels van openbare orde zijn. De Afdeling echter heeft een vrij enge opvatting over het aanvullen van rechtsgronden en beperkt het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden tot de aangevochten onderdelen van een besluit en de daartegen aangevoerde argumenten, behalve voor wat betreft het ruimtelijke ordeningsrecht, bestraffende sancties en sommige regels van internationaal recht. De consequentie van het zich vrij strikt aan de gronden houden is, dat het relevante feitencomplex kleiner wordt terwijl omgekeerd de bewijsomvang kan worden vergroot door rechtsgronden ruimhartig aan te vullen. De feitenvaststelling wordt achteraf getoetst door de bestuursrechter. Daarbij blijft hij binnen de omvang van het geschil, zoals dat hierboven is geschetst, tenzij het feiten betreft waaraan regels van openbare orde rechtsgevolgen verbinden. Aan de hand van de verplichtingen van partijen in de besluitvormingsfase en eventueel aan de hand van bijzondere wetgeving bepaalt de rechter in het individuele geval welke partij een relevant feit moet aandragen. Uitgangspunt daarbij is dat bewijslevering in eerste instantie een taak van partijen is. Uit de jurisprudentie blijkt dat de Afdeling de feitenvaststelling doorgaans terughoudend toetst aan de hand van een gelaagde zorgvuldigheidstoets, terwijl de Raad zich meestal een eigen oordeel over de feiten vormt. Mogelijk is dat verschil te verklaren vanuit de aard van de besluiten die ter toetsing aan hen worden voorgelegd. De literatuur wijst op de sterke relativering van de materiĆ«le waarheidsvinding door een grotere partijautonomie en de verschuiving van de doelstelling van handhaving van het objectieve recht naar rechtsbescherming. De bestuursrechter heeft de mogelijkheid gekregen om de feiten aan te vullen, om zich zo actief met de feitelijke omstandigheden van het geschil te kunnen bemoeien en een eventuele ongelijkheid van partijen te kunnen compenseren. De bestuursrechte kan zelf bepalen in welke mate hij gebruik maakt van deze mogelijkheid. In de praktijk blijkt hij er echter pas toe over te gaan, wanneer partijen uit eigen beweging een begin van bewijs hebben geleverd ter onderbouwing van de aangevoerde gronden. Met andere woorden: Geef mij de feiten, dan geef ik u het recht.
URI: http://hdl.handle.net/1820/1330
Appears in Collections:Master of Laws

Files in This Item:
File Description SizeFormat 
RWCPije-Post-aug2007.pdf329.19 kBAdobe PDFView/Open


Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.