Open Universiteit

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/1344
Title: Verbod op gezichtbedekkende kleding in (semi) openbare ruimten
Other Titles: Het recht van vrijheid van godsdienst en het gelijkheidsbeginsel versus de verantwoordelijkheid van de overheid voor handhaving van de openbare orde, de veiligheid en de bescherming van burgers.
Authors: Berfelo, E.G.P.
Keywords: grondrechten
rechten
vrijheden
verantwoordelijkheid
Issue Date: 2008
Publisher: Open Universiteit Nederland
Abstract: Er is geen voldoende juridische ruimte aanwezig is om te komen tot een in de wet vastgelegd algeheel verbod op gezichtsbedekkende kleding in (semi)- openbare ruimten. Dit druist in tegen de vrjheid van godsdienst, het gelijkheidsbeginsel en het daaraan gerelateerde discriminatieverbod. Omdat het daarnaast allerminst vaststaat dat er door het dragen van gezichtsbedekkende kleding meer veiligheidsriso’s door de bevolking worden gelopen, is er voor de overheid ook geen noodzaak om tot wetgeving te komen op dat gebied, met het oog op bescherming van de openbare orde en veiligheid. Ingevolge haar eigen wetgevingsrichtlijnen bestaat er voor het kabinet dan ook geen aanleiding te komen tot nieuwe wetgeving. Daarnaast bestaan er op dit moment al voldoende wettelijke mogelijkheden om te kunnen optreden tegen gelaatsbedekking in de openbare ruimte ter bescherming van de openbare orde en veiligheid. Een algeheel verbod kan dus niet worden gerechtvaardigd. Zeker niet als dat eigenlijk alleen wordt ingegeven door het feit dat het alléén verbieden van islamitische kleding sowieso in strijd zou zijn met de godsdienstvrijheid en het gelijkheidsbeginsel en niet vanuit de gedachte dat alle dragers van gezichtsbedekkende kleding een potentieel risico vormen. Gevoegd bij het feit dat die risico’s allerminst vaststaan en die risico’s ook uit onderzoek niet blijken, maakt dit de basis om te komen tot een algeheel verbod in de openbare ruimte, nihil. Het kabinet zou er daarom verstandig aan doen een algeheel verbod achterwege te laten en te zoeken naar alternatieven om de vrees en angstgevoelens voor, met name terroristische dreiging vanuit Islamitische hoek, tegen te gaan. Van een rechtsstaat zoals Nederland is, wordt een afgewogen antwoord verwacht en is het doorslaan in mogelijke extremen en het gebruik van oneigenlijke gronden, om wettelijk zaken af te dwingen die binnen de nu geldende regels praktisch hanteerbaar zijn, onaanvaardbaar. Dat zou ook getuigen van gebrek aan vertrouwen in de eigen rechtsstaat. Het lijkt erop dat het huidig kabinet daarvan inmiddels ook is doordrongen door aan te geven niet met nadere wetgeving te komen. Zij neemt vervolgens wel weer een merkwaardige positie in door vervoerbedrijven te verzoeken (let wel: afdwingen kan zij dit op dit moment niet), min of meer via hun eigen vervoersvoorwaarden, nadere regels te laten stellen inzake het gedrag van passagiers in het belang van een ordelijke gang van zaken tijdens het vervoer. In het bijzonder in het belang van de orde, rust en veiligheid. Dit lijkt echter een laatste stuiptrekking richting met name de politieke partijen die nog op een boerkaverbod koers zitten. Juridisch is een algeheel verbod op gezichtsbedekkende kleding in de openbare ruimte niet haalbaar, en het kabinet is daar zoals gezegd, mijns inziens inmiddels ook van overtuigd.
URI: http://hdl.handle.net/1820/1344
Appears in Collections:Master of Laws

Files in This Item:
File Description SizeFormat 
RWEBerfelo2008.pdf274.13 kBAdobe PDFView/Open


Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.