Open Universiteit
   About DSpace Software Open Universiteit border=

DSpace at Open Universiteit >
l. Master Thesis >
- School of Law MSc >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/4265

Title: In hoeverre legt de Hoge Raad de bestanddelen van art. 285b Sr uit overeenkomstig de wetsgeschiedenis en kan het doel van het artikel in die uitleg worden teruggezien?
Authors: Vuuren, Anja van
Keywords: uitleg
bestanddelen
art. 285b Sr
belaging
Hoge Raad
wetsgeschiedenis
Issue Date: 4-May-2012
Publisher: Open Universiteit Nederland
Abstract: Belaging is strafbaar gesteld omdat het strafwaardig gedrag is dat niet getolereerd mag worden. Door de strafbaarstelling, erkent de overheid de ernst van het probleem. Ruim tien jaar na de strafbaarstelling kan vastgesteld worden dat er daadwerkelijk mensen voor belaging veroordeeld worden. Hierdoor lijkt de bedoeling van de initiatiefnemers bereikt, namelijk: mensen in een vroeg stadium tegen hinderlijke inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer door derden beschermen. Sommige bestanddelen van art. 285b Sr moeten in de jurisprudentie verder uitgewerkt worden. Er bestaat inmiddels jurisprudentie van de Hoge Raad maar dat betekent niet dat er exact vastgesteld is hoeveel confrontaties er minimaal plaatsgevonden moeten hebben en hoe lang de belaging geduurd moet hebben om strafbaar te kunnen zijn. De arresten bieden wel criteria voor de uitleg van de bestanddelen van art. 285b Sr bij de behandeling van nieuwe zaken. De Hoge Raad heeft de term ‘wederrechtelijk’ conform de wetsgeschiedenis uitgelegd door de cassatiemiddelen af te wijzen omdat deze verdachten andere mensen lastigvielen zonder over een subjectief recht om de slachtoffers lastig te mogen vallen, beschikten. De uitleg van de term ‘stelselmatig’ is meermalen aan de Hoge Raad voorgelegd. Conform de wetsgeschiedenis betekent ‘stelselmatig’ met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie. Er is in de wet echter niet vastgelegd hoe lang de belaging minimaal geduurd moet hebben en hoeveel confrontaties er geweest moeten zijn voor eventuele strafbaarheid. Voor strafbaarheid moet iemand een andere persoon gedurende enige tijd meerdere malen hinderlijk lastiggevallen hebben. De Hoge Raad bevestigt de intentie van de wetgever in de behandelde arresten omdat er voor strafbaarheid meerdere hinderlijke gedragingen die enige tijd geduurd hebben, bewezen verklaard moeten worden. Verder beoordeelt de Hoge Raad de intensiteit/aard van de gedragingen. Belaging die relatief kort geduurd heeft maar een bedreigend karakter had, kan toch strafbaar zijn. Indien het leven van het slachtoffer door de belaging ernstig verstoord werd en hij zich als gevolg hiervan bedreigd, onveilig en onrustig voelde, dan lijkt belaging eerder aangenomen te worden. Deze conclusie lijkt in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever om mensen te beschermen tegen inbreuken door derden die hun leven verstoren. Er is sprake van ‘inbreuk’ indien het slachtoffer de verstoring van zijn persoonlijke levenssfeer ongewenst vindt. Daarbij zijn ernstige emotionele gevolgen of een ingrijpende verstoring van het dagelijks leven geen vereisten. Belaging is immers strafbaar gesteld om escalatie te voorkomen door in een vroeg stadium in te kunnen grijpen. Juist dan kunnen ernstige gevolgen voor slachtoffers voorkomen worden. De Hoge Raad heeft de bedoeling van de wetgver in een aantal arresten bevestigd door te stellen dat de inbreuk inderdaad niet diepgaand of ernstig behoeft te zijn ondanks de in de wetsgeschiedenis genoemde ‘diepgaande inbreuk’. Er kan ook in de openbare ruimte zoals op straat en op de werkplek inbreuk op de persoonlijke levenssfeer gemaakt worden. Tevens kan digitaal belagen onder het bereik van art. 285b Sr vallen. Mensen moeten zonder angst voor inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer in vrijheid kunnen leven, ook buiten de ruimtelijke beslotenheid van huis, tuin of erf en op hun werkplek. Belaging op de werkplek en in de openbare ruimte kunnen onder het bereik van art. 285b Sr vallen. Ten laatste heeft de Hoge Raad bekrachtigd dat ernstige burenconflicten als belaging gekwalificeerd kunnen worden. De overheid moet optreden als de ene burger de persoonlijke levenssfeer van een andere burger schendt ongeacht of de belager en het slachtoffer buren zijn of dat het slachtoffer zich op zijn werkplek of in de openbare ruimte bevindt. De dader moet een oogmerk hebben dat er op gericht is een ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Strafrechtelijk is het niet relevant of het beoogde slachtoffer daardoor daadwerkelijk tot iets bewogen is. Het gaat om de intentie van de dader en niet om het objectieve effect van zijn gedraging. Belaging kan ook via derden plaatsvinden. De tenlastelegging hoeft niet te vermelden op welk oogmerk de gedraging van de dader specifiek gericht was. Het dwingen tot contact of het dulden van de aanwezigheid van de dader is voldoende om het ‘oogmerk’ te bewijzen. Hierdoor lijkt tamelijk snel aan het oogmerkvereiste voldaan te zijn. De Hoge Raad heeft in de behandelde arresten de bedoeling van de wetgever bevestigd dat ieder slachtoffer zelf een klacht moet indienen als hij vervolging van de belager wil. De Hoge Raad maakt in de arresten vaak gebruik van argumenten uit de wetsgeschiedenis. De bestanddelen van art. 285b Sr worden conform de wetsgeschiedenis uitgelegd. De wetgevende en de rechterlijke macht lijken het eens over de betekenis van de bestanddelen van art. 285b Sr. ‘Stelselmatig’, ‘inbreuk’ en ‘persoonlijke levenssfeer’ moeten in de jurisprudentie verder uitgewerkt worden: De Hoge Raad heeft (nog) niet vastgesteld hoeveel confrontaties er voor strafbaarheid minimaal plaatsgevonden moeten hebben, hoe lang de belaging minimaal geduurd moet hebben en hoe indringend de inbreuk geweest moet zijn. De Hoge Raad heeft hierover tot op heden nog geen uitspraken gedaan. Hij heeft ook nog geen uitspraak gedaan over de vraag of er sprake kan zijn van belaging indien de handeling slechts één dag geduurd heeft en of een belager van willekeurige medewerkers van een organisatie die zonder aanzien des persoons hinderlijk lastig gevallen worden, strafbaar kan zijn op basis van art. 285b Sr. Ook is er nog geen uitspraak gedaan over exclusieve gerichtheid van de verdachte op het slachtoffer bij burenconflicten. Na verloop van tijd zullen er standaardarresten ontstaan die als handvest kunnen gelden bij de behandeling van nieuwe zaken. Dan zal ik nu de vraag proberen te beantwoorden of het doel van art. 285b Sr terugkomt in de uitspraken van de Hoge Raad. Belaging is strafwaardig gedrag dat bestraft moet kunnen worden mede om escalatie van de situatie en ernstiger misdrijven te voorkomen. Slachtoffers wilden beter tegen hinderlijke gedragingen van derden beschermd worden. Aan de ene kant komt het doel van de wetgever namelijk, ‘bescherming van slachtoffers’, duidelijk terug in de uitspraken van de Hoge Raad. Hij wijst cassatiemiddelen af indien daders slachtoffers meermalen hinderlijk lastig gevallen hebben, hen tot contact gedwongen hebben of hen hun aanwezigheid opgedrongen hebben. Hij heeft vastgesteld dat inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet ernstig of aanmerkelijk hoeft te zijn. Slachtoffers hoeven als gevolg van de hinderlijke gedragingen niet daadwerkelijk dingen gedaan of nagelaten te hebben of bang geworden te zijn. Er mag voorzichtig geconcludeerd worden dat de Hoge Raad belaging tamelijk snel aanneemt indien er een verband tussen de gedragingen bestaat en deze door hun karakter van invloed zijn op het persoonlijke leven van slachtoffers. Door de uitleg van de bestanddelen van art. 285b Sr door de Hoge Raad worden slachtoffers inderdaad beter dan voor de strafbaarstelling van belaging tegen hinderlijke inbreuken door derden beschermd. Aan de andere kant wijst de Hoge Raad cassatiemiddelen af indien de gedragingen niet bedreigend, beschuldigend of intimiderend genoeg waren. Dergelijke gedragingen hadden geen grote invloed op het leven van de slachtoffers. Deze slachtoffers worden dus nog niet beschermd. De uitspraken van de Hoge Raad zijn in de geest van de wet. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat mensen door de inwerkingtreding van art. 285b Sr daadwerkelijk tegen hinderlijke inbreuken door derden worden beschermd, zodat het doel dat de wetgever met de strafbaarstelling van belaging nastreefde inderdaad bereikt lijkt te zijn.
URI: http://hdl.handle.net/1820/4265
Appears in Collections:- School of Law MSc

Files in This Item:

File Description SizeFormat
anja van vuuren.pdf355.48 kBAdobe PDFView/Open
View Statistics

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.

 

Valid XHTML 1.0! Copyright © 2003 - 2010 Open Universiteit - Feedback