Open Universiteit
   About DSpace Software Open Universiteit border=

DSpace at Open Universiteit >
l. Master Thesis >
- School of Science >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/4554

Title: De kracht van Spartina anglica. Overlevingskans van Spartina anglica onder stress op schorren in het Schelde estuarium
Other Titles: The strength of Spartina anglica. The survival of Spartina anglica under stress at salt marshes in the Scheldt estuary
Authors: Hartog, Arjen
Issue Date: 27-Nov-2012
Publisher: Open Universiteit Nederland
Abstract: Samenvatting - Volgens de voorspellingen van het IPCC en het KNMI zal de komende eeuw de temperatuur op aarde gaan stijgen. Enkele mogelijke gevolgen, die van invloed zijn op Nederland, zijn dat de zeespiegel zal stijgen en dat de intensiteit van stormen zal gaan toenemen. Deze gevolgen van de temperatuursverhoging kunnen van invloed zijn op de schorren en slikken in de Westerschelde. De Westerschelde is het Nederlandse deel van het Schelde-estuarium waar zoet en zout water in elkaar overgaan. De hierdoor ontstane gradiënt heeft gevolgen voor de flora op de slikken en schorren. Eén van de pioniersplanten op die slikken en schorren is Spartina anglica, in het Nederlands Engels slijkgras genaamd. S. anglica is gekozen als model voor een onderzoek naar de overleving van planten op schorren en slikken. De vraag voor dit onderzoek was: Hoe hangt de overlevingskans en groei van Spartina anglica zaailingen af van stress en verstoring, die tijdens de groei ondervonden wordt van de factoren: sedimentinstabiliteit, inundatieduur, initiële plantgrootte en stormachtige omstandigheden; vergeleken op geëxponeerde en beschutte locaties in de Westerschelde? Om een antwoord te geven op bovenstaande zijn in dit onderzoek een aantal verschillende experimenten uitgevoerd. Ten eerste werden er op drie verschillende locaties in de Westerschelde (Paulinapolder, Baarland en Zuidgors) op schorren en slikken zaailingen van S. anglica geplant. De planten zijn geplant langs een hoogtegradiënt van schorrand tot laagwaterlijn. Van deze planten is de overleving en groei bepaald. De drie locaties zijn gekozen vanwege de verschillende factoren die invloed kunnen hebben op de overleving en groei van S. anglica. Daarnaast zijn, op dezelfde plekken waar de zaailingen zijn uitgezet, metingen gedaan om de hoogte van het sediment te bepalen. Tevens zijn er metingen uitgevoerd om de maximale erosie op schorren en slikken te bepalen. Naast deze veldexperimenten zijn er twee stroomgootexperimenten in het laboratorium van het NIOO-CEME in Yerseke gedaan. Eerst werd bepaald of er gekweekte planten in plaats van wilde planten kunnen worden gebruikt in de stroomgootexperimenten. Toen dat bevestigd werd zijn S. anglica planten op verschillende dieptes geplant op het schor van Paulinapolder. Na 3 en 7 maanden zijn de planten geoogst en in de stroomgoot gezet om te bepalen wat de overlevingskans is tijdens stormachtige omstandigheden. Uit de resultaten van het eerste experiment blijkt dat de overlevingskans van de zaailingen afhangt van de hoogte van het sediment (en dus de vegetatiezone) waarin zij geplant werden. Aangetoond is dat de overlevingskans het hoogst is als de verandering van de hoogte van het sediment het kleinst is. Ook is er een verschil in overleving tussen de drie verschillende locaties. Op de beschutte locatie Paulinapolder is de overlevingskans voor S. anglica groter dan op de geëxponeerde locaties Baarland en Zuidgors. Tevens is, daar waar de overlevingskans van de plant het grootst is, de groei (bepaald door aantal shoots, aantal bladeren en de lengte van stengel) ook het hoogst. De experimenten die gedaan zijn in de stroomgoot laten zien dat planten die dieper geplant zijn steviger verankerd zijn dan planten die minder diep geplant zijn. Er moest namelijk bij planten die diep geplant waren meer hoogte van het sediment afgehaald worden voordat de plant knakt in de stroomgoot dan bij planten die minder diep geplant waren. Daarnaast bleek dat hoe dieper de planten geplant waren, hoe korter hun wortels en hoe langer de stengels waren. Dit impliceert dat de plant, wanneer deze dieper in het sediment geplaatst is, meer energie steekt in de groei boven de grond. Wanneer de plant minder diep in het sediment geplaatst is, steekt deze meer energie in de groei van de wortels om zich beter te verankeren. Met deze experimenten is geprobeerd aan te tonen of de overleving van S. anglica zaailingen afhangt van stress en verstoring. Er is aangetoond dat de overlevingskans van S. anglica afneemt als de verandering van de hoogte van het sediment toeneemt. Deze sedimentverandering wordt groter dichter bij de laagwaterlijn en dus lager op de slikken. Tevens zijn de planten die het diepst in het sediment geworteld zijn het best bestand tegen een grote sedimentverandering. De planten die het minst onder invloed staan van stress en verstoring hebben de grootste kans op overleving en vertonen een betere groei. Dit zijn de planten die op hogere plaatsen (de pionierszone) staan, waar de sedimentverandering het kleinst is. Summary - According IPCC and KNMI predictions, global temperatures will rise in the coming century. Some possible consequences, affecting the Netherlands, are that sea levels will rise and that the intensity of storms is expected to increase. These effects of the temperature increase may affect the salt marshes and mudflats in the Westerschelde. The Westerschelde is the Dutch part of the Scheldt estuary where fresh and salt water meet. This gradient in salt water has an effect on plant life on mudflats and salt marshes. One of the pioneer plants on the mudflats and salt marshes is Spartina anglica, in English cord grass. S. anglica has been chosen as model for my research into the survival of plants in salt marshes and mudflats. The main question for this research was: how do the survival and growth of Spartina anglica seedlings respond to stress and disturbance caused by the factors „sediment instability‟, „flood duration‟, „initial plant size‟ and „stormy conditions‟; on exposed as well as sheltered sites in the Westerschelde? To answer the research question, a number of different experiments have been carried out. First, S. anglica seedlings were planted on salt marshes and mudflats at three different locations in the Westerschelde (Paulinapolder, Baarland and Zuidgors). The seedlings were planted along a height gradient, from the cliff of the salt marsh towards the low waterline. The three locations were chosen for their difference in factors that can lead to a difference in survival and growth of S. anglica. In addition, at the same places where the seedlings were planted, measurements were done to determine the height of the sediment. Also, measurements were performed to determine the maximum erosion at these salt marshes and mudflats. In addition to these field experiments, two flume experiments were carried out in the laboratory of the NIOO-CEME in Yerseke. It was first determined whether cultured plants rather than wild plants should be used in the flume experiments. After this has been determined, S. anglica plants were planted at different depths in the sediment on the salt marsh at Paulinapolder. After 3 and 7 months the plants were placed in the flume to determine the survival of these plants during a storm. The results of the first experiment showed that survival depends on the height of the sediment (and thus the vegetation zone) in which they were planted. Proven by this experiment is that the survival of S. anglica seedlings is the highest when the change in the amount of sediment is the least. There was also a difference in survival between the three different locations. On the sheltered location of Paulinapolder the survival rate for S. anglica is larger than the locations of Baarland and Zuidgors which are exposed to the wind. Also at Paulinapolder the survival rate of the plants was the highest, as well as the growth (determined by number of shoots, number of leaves and length of stem). The experiments which were done in the flume showed that plants that were planted deeper were anchored better than plants that were planted less deep. It is necessary to remove more sediment with the plants that were planted more deeply before the plant snaps in the flume than with plants that were planted less deep. The experiment also showed that the deeper the plants were planted, the shorter their roots and the longer the stems were. This implies that the plant when it is placed deeper in the sediment, puts more energy into upwards growth. When the plant is planted in the sediment less deep, it spends more energy on the growth of its roots to anchor better. In these experiments I tried to show that the survival of S. anglica seedlings is affected by stress and disturbance. It is shown that the survival of S. anglica decreases as the change in sediment increases. This change in sediment increases as you get lower on the height gradient. So closer to the low waterline and thus lower at the mudflat the change in sediment is largest. Also, the plants rooted most deeply in the sediment are most resistant to a large sediment change. The plants that are least influenced by stress and disturbance, have the greatest chance of survival and show a better growth. These are the plants at higher pitches (the pioneer zone) where the sediment has the smallest change.
Description: Onderzoek uitgevoerd bij het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek – Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie (NIOO-CEME)
URI: http://hdl.handle.net/1820/4554
Appears in Collections:- School of Science

Files in This Item:

File Description SizeFormat
De kracht van Spartina anglica..pdf4.41 MBAdobe PDFView/Open
View Statistics

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.

 

Valid XHTML 1.0! Copyright © 2003 - 2010 Open Universiteit - Feedback