Open Universiteit
   About DSpace Software Open Universiteit border=

DSpace at Open Universiteit >
l. Master Thesis >
- School of Science >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/4557

Title: Natuurontwikkeling van zilte vegetatie binnendijks van kustgebieden in Zeeland en Groningen. Natuurontwikkeling binnen milieukundige en ecologische kaders
Authors: Bosch, Gerrit Jelle
Issue Date: 27-Nov-2012
Publisher: Open Universiteit Nederland
Abstract: Samenvatting - Door de invloed van de mens is het areaal aan brakke natuur met overgangen tussen zout en zoet afgeno-men. Ter compensatie daarvan wordt op landelijk en provinciaal niveau gewerkt aan het herstel en uitbrei-ding van natte natuur w.o. brakke gemeenschappen, zowel binnen- als buitendijks. De aanzet werd gegeven door het Natuurbeleidsplan uit 1990 met de daaraan gekoppelde Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Hierin wordt op landelijk niveau vorm gegeven aan het realiseren van o.a. een robuuste aaneenschakeling van dui-zenden hectares natuurgebieden. In dit afstudeerverslag zijn een 16-tal binnendijkse gebieden beschreven langs de kust in Zeeland en Gro-ningen, waarvan een 3-tal gebieden met bestaande brakke gemeenschappen. Het recent voltooide Groninger project Polder Breebaart is, voor zover bekend in Nederland, het enige binnendijkse project waarbij natuur-ontwikkeling plaatsvindt onder invloed van een (gedempte) getijdenwerking. Het succes van natuurontwik-kelingsprojecten is afhankelijk van de mate waarin aan een aantal milieukundige en ecologische randvoor-waarden kan worden voldaan. Op basis van groot- en kleinschalige inrichtingsmaatregelen wordt gestreefd naar het realiseren van, binnen-dijks gelegen, brakke gemeenschappen als verlengstuk van het buitendijkse kweldermilieu. Dat gebeurt in combinatie met een gericht water- en begrazings-/maaibeheer. Voor dit doel worden landbouwpercelen aan-gekocht waarvan de functie wordt gewijzigd van landbouw naar natuurontwikkeling. Voor het realiseren van brakke gemeenschappen vormt de kwelintensiteit een belangrijke factor. Om de in-vloed van de kwelintensiteit te vergroten, natuurontwikkeling te versterken en nadelige effecten t.a.v. de landbouw te beperken worden, afhankelijke van het project, verschillende groot- en kleinschalige maatrege-len uitgevoerd of zijn recent uitgevoerd. De inrichtingsmaatregelen kunnen globaal worden onderverdeeld in grondverzet en waterhuishoudkundige maatregelen. Het gewenste streefbeeld wordt bepaald door realisatie van overgangen tussen zilte pioniervegetaties, meer-jarige vegetaties en brakke ruigte, waarbij het accent in meer of mindere mate wordt gelegd op ontwikke-ling van brakke half-natuurlijke prioritaire natuurdoeltypen Zk-3.2 (brak watergemeenschap) en Zk-3.3 (zou-te en brakke ruigte en grasland). Op grond van recente monitoringsgegevens, kort ná inrichting, van het Zeeuwse project de Prunje kan voor-zichtig worden vastgesteld dat de zilte natuurontwikkeling snel inspeelt op de nieuwe situatie. Vanwege een te korte evaluatieperiode kan op dit moment nog niet worden vastgesteld of de doelstellingen, zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht, op de lange termijn gehaald zullen worden. In abiotisch opzicht zijn voor een aantal projecten ná inrichting knelpunten geconstateerd. Het succes van natuurontwikkeling relateren aan de vestiging van doelsoorten met weinig areaal aan zilte graslanden is niet wenselijk. Om landbouw en natuur duurzaam naast elkaar te laten bestaan, worden ter voorkoming van schade aan na-burig gelegen landbouwpercelen verschillende maatregelen uitgevoerd. Deze maatregelen hebben vooral be-trekking op de waterhuishouding en het beperken van overlast door akkeronkruiden (m.n. Akkerdistels). Aangezien het economisch rendement van landbouwkundige activiteiten in de toekomst verder zal afnemen liggen hier kansen voor (zilte) natuurontwikkeling in relatie tot agrarisch natuurbeheer. Functiewijziging van landbouw naar natuur geschiedt in aanleg op basis van vrijwilligheid. In de praktijk kunnen natuuront-wikkelingsprojecten stagneren of in omvang worden beperkt doordat percelen niet tijdig kunnen worden verworven. Het succes van de beschreven binnendijkse maatregelen is niet alleen afhankelijk van de mate van herstel van de abiotische condities. Dispersie van zaad door vogels, wind en eventueel aanwezige zaadbanken draagt waarschijnlijk niet in voldoende mate bij aan het herstel en uitbreiding van zilte vegetatie. Het is daarom aannemelijk dat zaden binnendijks voornamelijk verbreid zullen worden door water. Aangezien de beschreven projecten streven naar de dynamiek van het buitendijkse kweldermilieu is onderzocht welke in-vloed getijdenstroming heeft op de ontwikkeling van een kweldervegetatie. Daartoe is op het oostelijk deel van Schiermonnikoog onderzoek verricht naar de ontwikkeling van een natuurlijke kweldervegetatie. Voor een vijftal successiestadia (transecten), variërend in leeftijdopbouw (jaar van ontstaan) en hoogte t.o.v. NAP, zijn d.m.v. 10 kunstgrasmatjes per transect periodiek de zaadvangsten bepaald voor een 13-tal kweldersoorten. Door het verschil in inundatiefrequentie en successiestadium wordt elk transect gekarakteri-seerd door specifieke zilte plantensoorten. Het totaal zaadaanbod per soort correleerde met de aanwezigheid en dominantie van kweldersoorten op de betreffende transecten. Dit wijst meer op een lokale verbreiding van zaad door de plaatselijke vegetatie dan door aanbod van zaad uit het “voorland” en of andere successie-stadia. Daarnaast kunnen zaden van hoge naar lage delen en vice versa en tussen transecten onderling door waterstromingen worden verbreid door getijdenstromingen, eventueel versterkt door windrichting en -kracht. Dispersie van zaden van bron- naar doelgebied is mede afhankelijk van het drijfvermogen, zaadaan-bod en de inundatiefrequentie. Vervolgens is onderzocht wat de kansen zijn voor herstel/ontwikkeling van kweldervegetatie binnendijks zonder dat er sprake is van getijdenwerking. Voor de kans dat zilte soorten zich kunnen vestigen en uitbrei-den kan onderscheid worden gemaakt tussen gebieden die “kaal” worden opgeleverd en gebieden waar nog (op beperkte schaal) zilte soorten aanwezig zijn. Vanuit de (nog) aanwezige standplaatsen kan de vegetatie zich ontwikkelen door lokale zaadproduktie. Verbreiding van zaad door vogels (en wind) kan een rol spelen voor vegetatietypen op de hoger gelegen delen die zelden of nooit in contact komen met het oppervlakte-water. Met name voor nieuwvestiging van soorten is het wenselijk om zaden en losliggende vegetatieve de-len uit het buitendijkse kweldergebied te verzamelen om deze vervolgens in het doelgebied te verspreiden. Tevens bestaat de mogelijkheid om vee via de zeedijk te laten foerageren tussen de buitendijkse kwelder en het binnendijkse gebied waardoor kwelderzaden indirect via keutels kunnen worden verspreid. Summary - The area of brackish nature with salt-to-fresh gradients has diminished by humane influence. To compen-sate for that, national and provincial departments are working on the restoration and expansion of wet na-ture, including halophytic communities inside as well as outside the seawalls. The starting point was the “Natuurbeleidsplan” (Nature Policy Plan, 1990) with linked to that the “Ecologische Hoofdstructuur” (Eco-logical Main Structure). On an national level this structure describes the realization of a system of inter-connected areas of thousands of hectares of nature. In this thesis 16 areas inside the seawalls along the coast in Zeeland and Groningen are described, among which 3 areas with existing halophytic communities. The recently finished project Polder Breebaart in Gro-ningen is, as far as is known in the Netherlands, the only project inside the dikes in which nature develop-ment occurs under the influence of a (reduced) tidal amplitude. The success of nature development projects depends on the extent to which a number of environmental and ecological preconditions can be met. On the basis of large-scale and small-scale cultivation measures, the realization of halophytic communities inside the seawalls as an extension of the salt-marsh environment outside the seawalls is aimed at. That happens in combination with management strategies focused on abiotic conditions such as groundwater levels and –composition, and structuring the vegetation bij mowing or grazing. To this end agricultural fields are acquired and transformed into nature development areas. In order to realize halophytic communities, the seapage intensity of salt water is an important factor. De-pending on the project, several large-scale and small-scale measures are taken or have been taken recently to enlarge the influence of the seapage intensity, to reinforce nature development and to reduce detrimental effects on agriculture. The cultivation measures can be divided into topsoil removal, digging creeks and wa-ter management measures. The envisaged target is determined by realization of gradients between halophytic pioneer communities, pe-rennial communities and brackish tall communties. The emphasis is laid on the development of brackish se-mi-natural target communities Zk-3.2 (brackish water community) and Zk-3.3 (saline and brackish grass-land). Recent monitoring of the project de Prunje in Zeeland, shortly after its completion, suggests that the saline nature development responds rapidly to the new situation. Because of a too short evaluation period it is not possible at this moment to ascertain if the aims, both in quantitative and qualitative respect, will be reached in the long term. From an abiotic point of view proble-matic aspects have been found for a number of projects after design. It is not advisable to relate the success of nature development to the establishment of target species with a small area of saline grasslands. In order to allow the coexistence of agriculture and nature, several measures are taken to prevent damage to the adjacent agricultural fields. These measures mainly include the water management and the reduction of arable weeds (especially creeping thistles). As the economic output of agricultural activities will be further reduced in the future, chances exist for (saline) nature development in relationship with agricultural nature conservation. In principle, changes in function from agriculture to nature take place on a voluntary basis. Nature development projects can stagnate or be reduced, because fields cannot be acquired in time. The success of the described measures inside the seawalls not only depends on the extent of restoration of the abiotic conditions. Seed dispersal by birds, wind and seed banks present probably do not contribute enough to the restoration and spread of halophytic vegetation. Therefore one can assume that seeds inside the seawalls will mainly be dispersed by water. As the described projects aim at the dynamic of the salt-marsh environment outside the seawalls, the influence of tidal movement on the development of a salt-marsh vegetation has been examined. To that end research into the development of a natural salt-marsh ve-getation has been conducted on the eastern part of Schiermonnikoog. For five successional stages (tran-sects), the seed deposition have periodically been determined for 13 salt-marsh species by means of ten traps made of astroturfs. These transects varied in age structure (year of origin) and elevation in relation to Dutch Ordnance Level. Because of the difference in inundation frequency and succession stage, each tran-sect is characterized by specific halophytic plant species. The total number of seeds per species correlated with the presence and dominance of salt-marsh species at the transects concerning. This is more indicative of seed dispersal from the local vegetation than by seed originating from the “foreland” and or other suc-cessional stages. In addition to this, seeds can be dispersed by tidal movements from high to low parts and vice versa and between transects by streams, possibly reinforced by wind direction and wind-force. Seed dispersal from source area to target area also depends on the floating capacity, number of seeds and the inundation frequency. Then the chances for restoration/development of salt-marsh vegetation inside the seawalls without the pre-sence of tidal action have been examined. For the chance that halophytic species can establish themselves and spread, areas can be divided into those which are delivered bare and those where (on a small scale) halophytic species are present. From the habitats which are (still) present, the vegetation can develop through local seed rain. Seed dispersal by birds (and wind) is especially important for plant communities on the higher parts, which are seldom or never exposed to the surface water. Especially for new establishment of species it is advisable to collect seeds and loose vegetative parts from the area outside the seawall and then disperse these in the target area. There is also the possibility to let cattle forage via the seawall between the salt marsh and the area inside the seawall, as a result of which seeds of salt-marsh species can be disper-sed indirectly via droppings.
Description: Onderzoek uitgevoerd op het Biologisch Centrum Haren, afdeling Plantenoecologie van de Rijks Universiteit Groningen (RUG)
URI: http://hdl.handle.net/1820/4557
Appears in Collections:- School of Science

Files in This Item:

File Description SizeFormat
Natuurontwikkeling van zilte vegetatie binnendijks van kustgebieden in Zeeland en Groningen.pdf10.07 MBAdobe PDFView/Open
View Statistics

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.

 

Valid XHTML 1.0! Copyright © 2003 - 2010 Open Universiteit - Feedback