Open Universiteit

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/5056
Title: Aansprakelijkheid overheid bij falend toezicht
Authors: Rondhuis, S.
Keywords: onrechtmatige overheidsdaad
toezicht en handhaving
falend toezicht
Issue Date: 19-Sep-2013
Publisher: Open Universiteit Nederland
Abstract: Aansprakelijkheid overheid bij falend toezicht 'Hoe beoordeelt de burgerlijk rechter in het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad de bestuursrechtelijke beleidsvrijheid?' Om deze vraag goed te kunnen beantwoorden moet eerst duidelijk zijn wat de taken: toezicht en handhaving inhouden en welke beleidsvrijheid de overheid bij het uitvoeren van deze taken heeft. Om deze taken vervolgens tegen het licht te kunnen houden tegen het leerstuk van de onrechtmatige daad. Toezicht Om de maatschappij te ordenen en belangen te beschermen worden regels opgesteld. Een ieder binnen deze maatschappij dient zich aan die regels te houden. Om te bereiken dat de regels ook daadwerkelijk worden nageleefd hebben verschillende bestuursorganen de taak om erop toe te zien dat de regels nageleefd worden. Voor het uitvoeren van deze taak heeft het bestuursorgaan bevoegdheden tot haar beschikking staan in de Awb zoals het betreden van plaatsen, het vorderen van inlichtingen en monsterneming. Maar het krijgen van bevoegdheden schept ook verplichtingen. Zoals de plicht om te handelen op basis van en met gebruikmaking van de bevoegdheid. Doordat het onmogelijk is voor de overheidsorganen om overal tegelijk te controleren is het wel algemeen geaccepteerd dat zij prioriteiten stellen in het uitvoeren van de toezichthoudende taak. Door deze prioritering aan te brengen in het toezicht lopen de overheidsorganen wel het risico dat bepaalde overtredingen, burgers of bedrijven niet of nauwelijks gecontroleerd worden. De Wabo verplicht de bestuursorganen daarnaast om de prioritering die wordt aangebracht vast te leggen in beleid. In dit beleid moet het bestuursorgaan een afweging maken tussen de prioriteiten, de doelen, de strategieën en de activiteiten, gebaseerd op een probleemanalyse. De overheid bezit hierbij dus een ruime mate van beleidsvrijheid. Handhaving Naast het houden van toezicht heeft de overheid ook de taak om de daadwerkelijke naleving van de regelgeving af te dwingen door middel van handhavend optreden. Zij heeft hiervoor bestuursrechtelijke sancties tot haar beschikking staan zoals de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. Binnen het bestuursrecht hanteert de rechter de beginselplicht tot handhaving. Hierbij is handhaven de regel. Afzien van handhaving is alleen mogelijk indien zich een bijzondere omstandigheid voordoet. De beleidsvrijheid die de overheid bezit, ziet dan ook toe op deze bijzondere omstandigheden. In situaties waarin sprake is van een kenbaar direct en onmiddellijk gevaar geldt op grond rechtspraak van het EHRM de plicht om direct in te grijpen. In deze situaties is de beleidsvrijheid voor een bestuursorgaan nihil. Onrechtmatige overheidsdaad voor falend toezicht en/of handhaving Het beoordelingskader dat de burgerlijk rechter hanteert voor het vaststellen van overheidsaansprakelijkheid is in principe hetzelfde als het aansprakelijkheidsregime dat voor particulieren geldt. Om te komen tot een aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW en 6:163 BW dient dus ook bij overheidaansprakelijkheid aan een vijftal eisen te zijn voldaan, te weten: een onrechtmatige gedraging, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en schade en relativiteit. De onrechtmatige gedraging moet bestaan uit een strijd met een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Voor deze laatste moet men terugvallen op maatschappelijk aanvaarde normen over behoorlijk en zorgvuldig gedrag. Het handelen van de overheid zal getoetst moeten worden aan hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Voor de invulling van de zorgvuldigheidsnorm staat de taak die de overheid heeft tot het houden van toezicht en handhaving centraal. De invulling van deze zorgvuldigheidsnorm wordt door de burgerlijk rechter meestel geënt op de kelderluikcriteria. De kelderluikcriteria geven in zijn algemeenheid een afweging tussen de schade die voorzienbaar kan optreden en de kosten van het nemen van voorzorgsmaatregelen. Naarmate de ernst en de omvang van de mogelijke schade groter is dienen hogere eisen te worden gesteld aan de te treffen voorzorgsmaatregelen. Uit de analyse die in de scriptie is uitgevoerd blijkt dat de bestuursrechter onderscheidt maakt tussen algemeen- en concreet toezichtsfalen. Algemeen toezichtsfalen Aansprakelijkheid voor algemeen toezichtsfalen wordt slechts in uitzonderlijke omstandigheden aangenomen. Bij algemeen toezichtsfalen is de overheid nog niet bekend met concrete feiten en omstandigheden die maken dat een hoge zorgplicht geldt. Binnen het bestuursrecht wordt aan het bevoegde orgaan een ruimte mate van vrijheid gegeven om prioritering aan te brengen in het toezichtsbeleid. Deze beleidsvrijheid wordt vanuit het EG-recht slechts daar waar het enkele richtlijnen die betrekking hebben op gevaarlijke stoffen, zoals de Seveso-richtlijn ingeperkt. Met de komst van de Wabo wordt het bestuur wel verplicht gesteld om het toezichtsbeleid vast te leggen. Hiermee wordt voor een burger ook duidelijk op welke wijze het bestuur uitvoering geeft aan de taak tot het uitvoeren van toezicht. De vraag die bij de burgerlijk rechter speelt bij algemeen toezichtsfalen is: of de overheid aansprakelijk gesteld kan worden van schade die als gevolg van niet of onvoldoende uitgevoerd toezicht is ontstaan. Uit de analyse van de jurisprudentie blijkt dat slechts in uitzonderlijke gevallen deze aansprakelijkheid wordt aangenomen. Uitspraken hiervan zijn niet bekend, maar uitzonderlijke gevallen zouden kunnen ontstaan als het bestuur misbruik maakt van haar bevoegdheden door bijvoorbeeld helemaal geen toezicht uit te voeren. De burgerlijk rechter gaat dus uit van een ruime mate van beleidsvrijheid die de overheid bezit bij de inzet van de middelen ter uitvoering van de aan haar opgedragen taak. Concreet toezichtsfalen Van concreet toezichtsfalen is sprake indien regels niet worden nageleefd en het bevoegd gezag hiertegen niet op heeft getreden. Concreet toezicht heeft dan ook betrekking op de handhavingstaak van de overheid. Uit de analyse van de jurisprudentie blijkt dat de burgerlijk rechter bij de beoordeling van de vraag of de overheid aansprakelijk is voor schade als gevolg van niet of onvoldoende handhavend optreden nog steeds uit gaat van de beleidsvrijheid die overheid heeft om de handhavingsbevoegdheid al dan niet te gebruiken. De beleidsvrijheid die de overheid krijgt van de burgerlijk rechter is ruimer bemeten dan die geldt binnen de beginselplicht tot handhaving. Schending van de bestuursrechtelijke handhavingsplicht in concreto is wel een belangrijke indicatie voor civielrechtelijke onrechtmatigheid, mits vaststaat dat de beginselplicht tot handhaving in concreto strekt tot bescherming van de geschonden belangen (relativiteitsvereiste) en de geleden schade. Uit de jurisprudentie komt duidelijk naar voren dat de voorzienbaarheid en de kenbaarheid van de gevaarzetting belangrijke criteria zijn voor de burgerlijk rechter. Hoe specifieker een voorzienbaar ernstig gevaar is, hoe beperkter de beleidsvrijheid en hoe eerder sprake is van aansprakelijkheid. Conclusie De overheid loopt slechts in uitzonderlijke gevallen het risico om aansprakelijk te worden gesteld voor schade als gevolg van falend toezicht. Het zal hierbij moeten gaan om schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals bijvoorbeeld het in zijn geheel niet uitvoeren van toezicht. De overheid heeft evenals in het bestuursrecht hier dus een ruime mate van beleidsvrijheid. Indien de overheid niet handhavend optreedt tegen ernstig en acute gevaren die kenbaar of voorzienbaar zijn, dan lijkt aansprakelijkheid een voldongen feit. De burgerlijk rechter gaat in tegenstelling tot de bestuursrechter niet uit van een beginselplicht tot handhaving, maar beperkt de beleidsvrijheid wel naarmate de kenbaarheid van specifieker gevaar groter wordt. Hieruit blijkt dat de burgerlijk rechter de beleidsvrijheid die de overheid bezit bij concreet algemeen toezichtsfalen ruimer beoordeeld dat zou gelden binnen het bestuursrecht.
URI: http://hdl.handle.net/1820/5056
Appears in Collections:Master of Laws

Files in This Item:
File Description SizeFormat 
rondhuis.pdf173.93 kBAdobe PDFView/Open


Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.