Open Universiteit

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/6064
Title: Common Ragwort on the Veluwe the Netherlands. A Research About Differences in Dominancy of Common Ragwort in Natural Vegetations.
Other Titles: Jakobskruiskruid op de Veluwe. Een onderzoek naar verschillen in dominantie van Jakobskruiskruid in natuurlijke vegetaties.
Authors: Veendrick, Johan
Issue Date: 12-Apr-2012
Publisher: Open Universiteit
Citation: Veendrick, Johan. (2012). Common Ragwort on the Veluwe the Netherlands. A Research About Differences in Dominancy of Common Ragwort in Natural Vegetations [Jakobskruiskruid op de Veluwe. Een onderzoek naar verschillen in dominantie van Jakobskruiskruid in natuurlijke vegetaties]. (Unpublished MSc Master’s Thesis Environmental Sciences), Open Universiteit, Heerlen, NL.
Abstract: ABSTRACT. Common ragwort (Jacobaea vulgaris = [am] tansy ragwort) is a biennial composite with toxic properties. It contains pyrrolizidine alkaloids which can lead to liver damages after ingestion by animals (also by humans). Grazing cattle and other small grazing mammals will avoid ragwort while it tastes bitter. By mowing the bitter taste will vanish after a while. Hay and other silage products contaminated with ragwort frequently led to diseased cattle or even to mortality. Especially horses are susceptible. In normal circumstances ragwort creates a rosette in the first year, it will bloom the second year. But if the plant is mown or grazed by parasite insects before bolting the plant will stay in the rosette stage. Under this condition rag-wort will be a perpetual and can survive for years. In grass vegetations ragwort more than often will occur very abundant. Sometimes it dominates whole vegetations. To-gether with its toxic features, dominancy of ragwort is unwanted. Seeds of ragwort optimal germinate on open uncovered spots in the vegetation on loose soil. Dominancy of ragwort occurs frequently after conversion of farming-land into nature, which is characterized by open vegetations. Especially on sandy soils ragwort dominates the whole vegetation. Within one field with a dominancy problem there can be great differences in abundance of ragwort. This investigation is concerning with the question what determines different rates of dominancy of ragwort in natural vegetations. This is done on two locations called ‘Mosselse Veld’ and ‘Valenberg’. ‘Mosselse Veld’ comprises a converted natural grass vegetation with a long history of ragwort dominancy, where enormous differences of dominancy of ragwort can be found. ‘Valenberg’ is an adjacent heather field. Ragwort is not found at all. Both adjacent locations can be found on the nature site ‘De Planken Wambuis’ in Ede Netherlands. This investigation compounds three objects in the field, one object with high dominancy of ragwort (11,3 plants/m2), one with moderated dominancy (2,7 plants/m2) and one object without ragwort on the heather. Every object consist of four replicas, every replica is divided in 16 plots. The amount of ragwort plants, the rate of coverage of ragwort and the plant size of ragwort, rate of grass coverage and bare soil are observed in the field. Soil samples are taken from 4 plots of every replica. The samples are used for an analysis of soil chemistry, for a greenhouse experiment and for a germination experi-ment. The greenhouse experiment was set up to distinguish the effects of soil chemistry and soil biota. Seedlings of ragwort are set out in pots filled with soil of the different objects. This is done in twofold: one pot filled with pure soil, one pot filled with 6/7th part sterile soil inoculated with 1/7th part soil of the representative sample. Besides this there is a control with pots filled with only sterile soil. The inoculums exist of a more homogenous chemistry while the greatest part of sterile soil does have a constant chemical composition. Differences in growth (read: biomass) of ragwort on the inoculum in respect of the control indicate an effect of soil biota. Differences in growth of ragwort on the inoculum in respect of ragwort on pure soil indicate shows the effect of soil biota in respect of the effect of soil chemistry an soil biota in tandem. From here it is possible to isolate the role of soil chemistry. The germination experiment shows the pool of ragwort seeds for every object. The field surveys show significant differences in case of high dominancy of ragwort objects for higher plant density of rag-wort, higher rates of coverage of ragwort, greater height of ragwort. Remarkably, there are no significant differences in the rates of grass coverage and bare soil between high and moderated dominancy of ragwort. The dominancy of ragwort shows a relation with some of the soil nutrients. Magnesium and potassium do have significant higher levels in case of high domi-nancy of ragwort. The higher C/N-ratio is a straight consequence of a higher C-level and o.m.-level of the same object. The last indicates the possibility of more available water for the vegetation in the soil for the high dominancy object, which rag-wort endures a period of drought. The results of the greenhouse experiment show more differences. There is a stronger relation between the objects and the soil chemistry. More nitrogen shows more biomass of ragwort, and more potassium shows more belowground biomass of ragwort. In spite of the hypotheses high dominancy of ragwort does have more detrimental effects of soil biota, than in case of moderated dominancy. On pure soil originated from the heather field, all seedlings died within three days, even after replanting new seedlings. Very remarkable are the results of the inoculum of the soil of the heather field. This shows comparable amount of biomass as the controls (= sterile soil). The cause is the significant difference in pH and the significant lower amounts of available soil nutrients. Heather grows without any problem under acid and attenuated conditions.The germination experiment shows significant more germinative seeds in case of high dominancy of ragwort. The heather field shows not one germinative rag-wort at all. It is concluded that the differences in plant density between the objects are determined by the amount of germinative seeds of ragwort in the soil. The differences in development of ragwort (rate of coverage ragwort, height of ragwort) be-tween the objects are determined by the (availability of) soil nutrients. The effects of soil biota affect the growth of rag-wort, but it does not have the greatest share in the differences between the objects of high and moderated dominancy of ragwort. It is predominantly determined by the (availability of) soil nutrients. The absence of ragwort in heather is a straight consequence of in particular the acidity of the soil of heather and the attenuated conditions of the soil.
Description: SAMENVATTING. Jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) is een tweejarige composiet met giftige eigenschappen. Het bevat pyrrolizidine alkalo-ïden welke na voedselinname leverbeschadiging bij dieren (ook bij de mens) teweeg kunnen brengen. Jakobskruiskruid heeft een bittere smaak en wordt daardoor door grazers vermeden. Na het afmaaien van de plant verdwijnt echter de bit-tere smaak. Hooi en andere silageproducten vervuild met Jakobskruiskruid heeft meermalen tot ziekte en in enkele geval-len tot sterfte van vee geleid. Vooral paarden blijken zeer gevoelig. Onder normale omstandigheden vormt Jakobskruiskruid het eerste jaar een rozet en gaat in het tweede jaar bloeien. Echter door afmaaien of door ‘begrazing’ van herbivore parasi-taire insecten voor het doorschieten, kan Jakobskruiskruid meerdere jaren in het rozetstadium als overblijver voortbestaan. Mede om zijn giftige eigenschappen is Jakobskruiskruid niet gewenst. In graslandvegetaties kan Jakobskruiskruid zeer over-vloedig voorkomen en binnen een vegetatie soms lokaal gaan domineren. Zaad van Jakobskruiskruid komt het beste tot kieming op open onbegroeide bodems met losse grond. Dominantie van Jakobskruiskruid komt in het bijzonder voor op voormalige landbouwgronden na aanleg van nieuwe natuur. Bij de omschakeling naar nieuwe natuur blijven oude akkers vaak braak liggen. Zandgronden zijn daarbij nog gevoeliger voor dominantie door de lossere samenstelling van de bodem. Het blijkt dat op locaties met een probleem van dominantie van Jakobskruiskruid in de vegetatie er verschillen bestaan in de mate van deze dominantheid. Dit onderzoek richt zich op de vraag waardoor de verschillen in dominantie van Jakobs-kruiskruid in natuurlijke vegetaties bepaald wordt. Het onderzoek is verricht op de locaties ‘Mosselse Veld’ en ‘Valenberg’ gelegen in het natuurgebied ‘De Planken Wambuis’ in de gemeente Ede. Het ‘Mosselse Veld’ is een graslandvegetatie met grote verschillen in dominantie van Jakobskruiskruid. Het naastgelegen ‘Valenberg’ is een heideveld, waar Jakobskruiskruid in het geheel ontbreekt. Er zijn drie objecten in het veld afgebakend. Eén object met hoog dominant Jakobskruiskruid (11,3 planten/m2), één met matig dominant Jakobskruiskruid (2,7 planten/m2), en een object op het heideveld (0 planten/m2). In het veld zijn waarne-mingen gedaan voor aantallen planten, aandeel bladbedekking Jakobskruiskruid, planthoogte, aandeel grassen in de vege-tatie en het aandeel onbedekte grond. Verder zijn er bodemmonsters genomen. Deze zijn gebruikt voor de bepaling van een bodemchemische analyse, het uitzetten van een kasproef en een kiemproef. Met behulp van de kasproef is getracht de effecten van de bodemchemische samenstelling te onderscheiden van de eventuele effecten van het bodemleven op de dominantie van Jakobskruiskruid. Hiervoor zijn kiemplanten van Jakobskruiskruid uitgeplant in potten van de verschillende objecten. Dit is in tweevoud gedaan. Eenmaal op pure grond uit het veld en eenmaal met een mengsel van grond uit het veld en steriele grond. Dit mengsel bestaat uit 6/7e deel steriele grond met daarin 1/7e deel grond uit het veld geïnoculeerd. Met dit geïnoculeerde mengsel is de chemische samenstelling van de grond als ‘groeimedium’ meer homogeen gemaakt. Daarnaast is er een nulobject dat bestaat uit 100 % steriele grond. Verschillen in groei (= verschillen in biomassa van Jakob-skruiskruid) t.o.v. het nulobject duiden op een effect van het bodemleven. Verschillen tussen op pure grond gegroeide Ja-kobskruiskruid en op geïnoculeerde grond laten het gecombineerde effect zien van bodemchemie en bodemleven. Met de kiemproef kan de zaadbank van Jakobskruiskruid bepaald worden. De resultaten van de veldwaarnemingen laten een duidelijk verschil zien tussen de objecten in hogere plantaantallen, gro-tere bodembedekking en een grotere planthoogte van Jakobskruiskruid op het hoog dominante object t.o.v. het matig do-minante object. Opvallend is dat er geen significante verschillen zijn aangetoond voor het aandeel onbedekte grond en het aandeel vergrassing tussen matig en hoog dominante object. De dominantie van Jakobskruiskruid laat een duidelijke relatie zien met het niveau van enkele bodemnutriënten. Magnesium en kalium zijn significant hoger op het hoog dominante ob-ject. De C/N verhouding is hoger als rechtstreeks gevolg van een significant hogere C-gehalte en o.s.-gehalte van hetzelfde object. Dit kan erop duiden dat de bodem van het hoog dominante object een hoger waterbergend vermogen heeft en dat daarmee het Jakobskruiskruid minder te verduren heeft van droogte. De resultaten van de kasproef laten meer verschillen zien. Er is een sterkere relatie met de chemische bodemeigenschap-pen tussen de objecten met Jakobskruiskruid onderling. Stikstof speelt een rol in de totale biomassa en er blijkt dat kalium mede van invloed is op de ontwikkeling van de ondergrondse biomassa. Het object met hoog dominant Jakobskruiskruid ondervindt meer nadeel van het bodemleven als het object met matig dominant Jakobskruiskruid. Op de pure grond van het heideveld sterven binnen drie dagen alle kiemplantjes af en hetzelfde herhaalt zich na opnieuw inplanten. Echter op de geïnoculeerde grond met heidegrond laat zien dat er een vergelijkbare hoeveelheid biomassa Ja-kobskruiskruid gevormd is als op het nulobject. De oorzaak is het significante verschil van pH en de significante lagere hoe-veelheden totaal aanwezige en beschikbare bodemnutriënten. Heide groeit onder zure (pH = 3,3) en zeer schrale omstan-digheden. Het hoog dominante object vertoont in de kiemproef duidelijk meer kiemkrachtige zaden van Jakobskruiskruid dan het matig dominante object. Het heideveld bevat geen enkel kiemkrachtig zaad. De eindconclusies luiden als volgt. De verschillen in plantaantallen tussen de objecten is bepaald door de hoeveelheid kiemkrachtig zaad van Jakobskruiskruid in de zaadbank. De verschillen in ontwikkeling van Jakobskruiskruid (aandeel be-dekking van Jakobskruiskruid, planthoogte) tussen de objecten is bepaald door de beschikbaarheid van bodemnutriënten. Het effect van het bodemleven heeft wel een invloed op de groei van Jakobskruiskruid maar het heeft geen doorslaggeven-de betekenis in de verschillen tussen de objecten met Jakobskruiskruid. En het ontbreken van Jakobskruiskruid op het hei-develd is een rechtstreeks gevolg van vooral de zure en ook de schrale omstandigheden waaronder een heidevegetatie groeit.
URI: http://hdl.handle.net/1820/6064
Appears in Collections:MSc Environmental Sciences

Files in This Item:
File Description SizeFormat 
MSc Research Thesis VEENDRICK_ Johan 20120412.pdf2.69 MBAdobe PDFView/Open


Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.