Open Universiteit

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/6115
Title: Literatuurstudie naar de schadelijke effecten op het milieu van vervangers voor tributyltin (TBT) houdende aangroeiwerende middelen. Onderzoek uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat, Zeeland, Middelburg, Nederland.
Other Titles: [A Literature Study on the Adverse Effects of Substitutes for Tributyltin (TBT) Containing Antifoulings on the Environment.]
Authors: de Boer, Emiel
Dekeyzer, Bert
Kes, Jan
Keywords: aangroeiwerende verven, TriButylTin (TBT), alternatieve aangroeiwerende middelen, TBT-alternatieven, scheepvaart. Toxiciteit, Lethal Concentration 50% (LC50), No Observed Adverse Effect Level (NOAEL) in combinatie met de namen van de individuele actieve stoffen.
[(alternative) TBT free antifoulings, TriButylTin (TBT), TBT-alternatives, shipping, toxicity (plus name of individual substance), Lethal concentration 50%, No Observed Adverse effect Level (NOAEL), again with names of individual active compound.]
Issue Date: Jun-2006
Publisher: Open Universiteit
Citation: de Boer, Emiel, Dekeyzer, Bert, & Kes, Jan. (2006). Literatuurstudie naar de schadelijke effecten op het milieu van vervangers voor tributyltin (TBT) houdende aangroeiwerende middelen.Onderzoek uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat, Zeeland, Middelburg, Nederland. [A Literature Study on the Adverse Effects of Substitutes for Tributyltin (TBT) Containing Antifoulings on the Environment]. (Unpublished BSc Bachelor's Thesis Environmental Sciences), Open Universiteit, Heerlen, NL.
Abstract: SAMENVATTING. InCompany Milieuadvies, onder directie van de Open Universiteit Nederland heeft voor Rijkswaterstaat Directie Zeeland onderzoek gedaan naar de alternatieven voor TBT houdende aangroeiwerende middelen. Informatie is verkregen door op internet te zoeken naar trefwoorden in zowel het Engels als het Nederlands; Aangroeiwerende verven, TriButylTin (TBT), alternatieve aangroeiwerende middelen, TBT-alternatieven, scheepvaart. Toxiciteit, Lethal Concentration 50% (LC50), persistentie, bioaccumulatie, No Observed Adverse Effect Level (NOAEL), dit in combinatie met de namen van de actieve componenten die aanwezig zijn in de individuele aangroeiwerende stoffen. Aangroei onder het waterniveau vindt plaats volgens een aantal stadia. Door deze aangroei wordt de weerstand verhoogd, waardoor schepen meer brandstof gaan verbruiken. Deze ongewenste situatie kan worden voorkomen door gebruik te maken van aangroeiwerende middelen, die worden gebruikt om aangroei terug te dringen of zelfs te voorkomen. Tot kort geleden werd veelvuldig gebruik gemaakt van Tributyltinoxiden als aangroeiwerend middel. De negatieve invloed op het milieu van Tributyltinoxide (TBT) afkomstig uit aangroeiwerende middelen is gemeengoed geworden in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. Dit heeft geleidt tot internationale overeenkomsten over de reductie van het gebruik van TBT houdende aangroeiwerende middelen door vervanging voor geschikte alternatieven. Het gebruik van aangroeiwerende middelen wordt nu omkaderd door verschillende vormen van regelgeving; - Internationaal door het International Maritime Organisation (IMO) - Europees door de Kaderrichtlijn Water - Nationaal (België en Nederland) door een diversiteit aan wetten Momenteel mag koper nog worden toegepast als bestanddeel in aangroeiwerende middelen in Nederland, al is een verbod wel op handen. Een verbod op koperhoudende aangroeiwerende middelen lijkt noodzakelijk. Een verscheidenheid aan ecologische aquatische systemen welke zijn blootgesteld aan deze producten tonen duidelijk de invloed van koperverontreiniging. Voor de consument is er een groot aantal alternatieven beschikbaar. De Europese Unie heeft richtlijn 98/8 aangenomen welke een positieve lijst met biocides bevat, waaronder de aangroeiwerende middelen, al moet deze nog worden ingevuld. In België en Nederland zijn een kleiner aantal aangroeiwerende middelen op de markt toegestaan dan in Duitsland. De Duitse wetgeving gaat uit van een lijst met aangroeiwerende middelen die niet zijn toegestaan, dit in tegenstelling tot de hierboven genoemde positieve lijst. In dit rapport hebben wij geprobeerd om de effecten op het milieu van verschillende aangroeiwerende middelen te vergelijken. Speciale aandacht is uitgegaan naar toxiciteit, persistentie en bioaccumulatie. Aangezien wetgeving onderhevig is aan verandering hebben wij niet gelet op het feit of de door ons onderzochte aangroeiwerende middelen op het moment van onderzoek zijn toegelaten op de markt. Non-stick coatings zijn, hoewel ze niet als biocide coating zijn ontworpen, toch als zodanig door ons beoordeeld (siloxanen) omdat niet kan worden uitgesloten dat siloxanen in het milieu komen. Nader onderzoek is nodig om dit aan te tonen. Grootschalig gebruik van non-sticks is echter vooralsnog niet te verwachten door allerlei gebruiksproblemen. Door het toepassen van zogenaamde ‘boosterstoffen’ wordt de werking van koper versterkt tegen organismen die koper tolerant zijn. Het kan zeer wel mogelijk zijn dat in de toekomst aangroeiwerende middelen op de markt komen die alleen boosters bevatten als vervanging voor de TBT- of koperhoudende middelen. Vanuit verscheiden invalshoeken komt telkens één biocide stof naar voren als meest geschikt biocide; dichlofluanide. Ons onderzoek heeft echter niet meegewogen wat de stabiliteit is van de stoffen die als gevolg van degradatie van de primaire producten vrijkomen. Deze stoffen kunnen hun eigen specifieke toxische, persistente en of bio-accumulerende eigenschappen bezitten. Verder onderzoek naar deze effecten is dan ook aanbevolen. Daarnaast hebben wij het bio-accumulerende en mutagene effect gecompenseerd door uit te gaan van een snelle degradatie van de primaire stof. Aangezien dit een aanname is, is verder onderzoek naar dit effect ook aanbevolen. Een methode van verder onderzoek kan het meten van het gehalte aan dichlofluanide in aquatische organismen zijn, waarna een vergelijking met het gehalte in het aquatische milieu van deze organismen plaats kan vinden. Dit zou een indicatie kunnen geven van de degradatie snelheid en dus een mogelijkheid scheppen om onze aanname over snelle degradatie bevestigen dan wel weerleggen.
Description: ABSTRACT. InCompany Milieuadvies (Environmental consultancy), a subsidiary of the Open University, has performed research for the Dutch Directorate for Public Works and Water Management in Zeeland into alternatives for TBT-containing antifoulings. The information was collected through searches on keywords in both English and Dutch; Aangroeiwerende verven, TriButylTin (TBT), alternatieve aangroeiwerende middelen, TBTalternatieven, scheepvaart. Toxiciteit, Lethal Concentration 50% (LC50), persistentie, bioaccumulatie, No Observed Adverse Effect Level (NOAEL), in combination with the names of the active compounds present in the individual antifoulings. Growth of fouling below water level takes place in a number of phases. This type of fouling increases resistance thus causing ships to use more fuel as opposed to ships with a clean hull. As this is an undesirable situation, antifoulings are used to reduce and or to prevent growth of fouling below sea level. Up until recently, Tributyltinoxides where used as antifouling agents. The negative impact on the environment of Tributyltinoxide (TBT) originating from antifouling agents has become widely known in the 1970’s and 1980’s. This has lead to international agreements on the limitation of TBT-containing antifouling agents and their replacement with suitable alternatives. Nowadays, usage of antifouling agents is controlled by a range of regulations: - Internationally, through the International Maritime Organisation (IMO) - On a European scale, through the European Water Framework Directive - Nationally (Belgium and The Netherlands), through a diversity of legislation At present, copper is still allowed as a component in antifoulings in The Netherlands, although the prohibition is imminent. A ban on copper-containing antifoulings seems necessary. A variety of ecological aqua systems that have been exposed to these products clearly show the impact of copper contamination. A vast range of alternatives is available for the consumer. The European Union has already adopted directive 98/8, which contains a positive yet incomplete list of biocides, including antifouling agents. In Belgium and The Netherlands only a small number of antifouling agents are allowed onto the market, whereas in Germany many more are allowed. The German legislation is based on a list of antifouling agents that are not allowed, as opposed to the positive list mentioned earlier. In this report we have tried to compare the effects of various antifouling agents on the environment. Special consideration has been given to toxicity, persistency and bioaccumulation. As legislation is subject to change, we have not taken into account in our research whether the specific antifouling agents were allowed onto the consumer markets. Although they are not designed for biocide coating, we have classified non-stick coatings as biocides (siloxanes) since the deposition of siloxanes into the environment cannot be excluded. Further research into this aspect of non-stick coatings is required. At present, large-scale usage of non-stick coatings is not anticipated due to various application difficulties. The use of boosters increases the effectiveness of copper when targeting organisms that otherwise show little impact of copper. In the near future there is a distinct possibility for antifouling agents to become available that only contain these boosters, thus substituting TBT and coppercontaining products. Resulting from our research the biocide dichlofluanide stands out as the most favourable compound. However, our research did not take into account the stability of compounds resulting from the degradation of the primary products. These compounds might possess their own specific toxic, persistent and or bio-accumulative effects. Further investigation into these effects is advisable. Additionally, we compensated the bio-accumulative and mutagenic effect by assuming rapid degradation. As this is an assumption, further investigation into this subject is recommended. Preferably, the level of dichlofluanide present in aquatic organisms is measured and compared to its level in the aquatic environment of these organisms. This might give an indication of degradation rates thus allowing a proper conclusion with regards to our assumption that bioaccumulation can be compensated through rapid degradation rates.
URI: http://hdl.handle.net/1820/6115
Appears in Collections:BSc Environmental Sciences

Files in This Item:
File Description SizeFormat 
VMAB2005nj-M22-TBT_ALTERNATIEVEN-Eindrapport-juni2006.pdf471.46 kBAdobe PDFView/Open


Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.