Open Universiteit

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/6340
Title: Malafide constructies in de binnenvaart
Authors: Klaver, R.H.
Keywords: malafide constructies
binnenvaart
883/2004
Rijnvarendenverdrag
Handhavingsrichtlijn
Viking/Laval
Issue Date: 2015
Publisher: Open Universiteit
Abstract: Met deze scriptie heb ik beoogd een inzicht te geven in de wereld van de malafide constructies van de aanwijsregels met betrekking tot de Europese sociale zekerheid wetgeving voor varend personeel op de Europese binnenwateren. Een actueel maatschappelijk relevant thema. Ten eerste ben ik ingegaan op de twee deelvragen: welke juridische voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de aanwijsregels in Verordening (EG) nr. 883/2004? en welke juridische voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de aanwijsregels in het Rijnvarendenverdrag? Er is een spanningsveld tussen enerzijds de interne markt en anderzijds de sociale rechten. Anders geformuleerd, in het EG-Verdrag verankerde vrij verkeer van personen en het vrij verkeer van diensten versus de Europese coördinatie van sociale zekerheid. Er kan geconcludeerd worden dat het centrale thema betreffende het sociale zekerheid aspect van de binnenvaart sector is gefocust op het probleem van het identificeren van de toepasbare wetgeving inzake aanwijsregels met betrekking tot het sociale zekerheid regime van de verschillende werknemers. Uit bovenstaande valt te concluderen dat het vaststellen van het land waar premie afgedragen dient te worden vrij complex is. Dit wordt mede veroorzaakt door het grensoverschrijdende karakter van de binnenvaart. Aparte speciaal geschreven regelingen van Verordening (EG) nr. 1408/71 ten behoeve van de binnenvaart zijn niet meegenomen in de huidige Verordening (EG) nr. 883/2004. Artikel 16 van deze Verordening geeft de mogelijkheid van uitzonderen. Van deze mogelijkheid hebben slechts een aantal EU landen gebruik gemaakt. Er bestaan in de EU dus twee sets aanwijsregels naast elkaar, die deels van elkaar verschillen. Een dergelijke situatie zou slechts van tijdelijke aard mogen zijn, in afwachting van de goedkeuring van duidelijke regels voor de gehele Europese binnenvaartsector die beter afgestemd zijn op deze bedrijfstak. Het naast elkaar bestaan van twee verschillende aanwijsregels komt de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid voor de werknemers in de binnenvaart niet ten goede en geeft ruimte voor het creatieve gebruik van mogelijk malafide constructies. Ten tweede ben ik ingegaan op malafide constructies. Er werd ingegaan op de vraag wat een malafide constructie is. Wat op het oog een malafide constructie lijkt hoeft niet altijd illegaal te zijn. Er worden semilegale constructies gebruikt die leunen op EU-rechten, zoals het vrij verkeer van diensten. Er werd vervolgens een voorbeeld worden geven van een malafide constructie in het sociaal zekerheidsrecht waarbij werkgevers werknemers via een buitenlandse mediair in huren. Hier zagen we dat handig gebruik wordt gemaakt van de aanwijsregels van Verordening (EG) nr. 883/2004. De vraag werd beantwoord waardoor de groei van het aantal malafide constructies wordt bevorderd. Enerzijds door het beschikbaar komen van een groot aanbod van werknemers door uitbreiding van de EU en anderzijds doordat er de vooral voor korte uitzend periodes van werknemers teveel administratieve lasten worden gevraagd en er creatief wordt omgegaan met de begrippen zend- en werkland. Daarnaast is er een gebrek aan samenhang tussen de sociale en fiscale coördinatie. Als laatste werd ingegaan op de onduidelijkheid van de omvang van malafide constructies. Dit wordt mede veroorzaakt door onnauwkeurige administratie met betrekking tot bijvoorbeeld de duur van de detachering. Ten derde ben ik ingegaan op de handhaving. Als eerste werd de handhavingsproblematiek besproken. Het complexe grensoverschrijdende aard van de al dan niet malafide constructies bemoeilijkt het handhaven. Daarnaast bemoeilijken de verschillen tussen de detacheringsregels voor arbeidsrecht en sociale zekerheid de naleving en handhaving ook. De nieuwe EU-burgers die in de binnenvaart zijn gaan werken zullen niet snel klagen over hun sociale zekerheid in verband met mogelijk ontslag. Daarnaast zijn niet alle op het oog malafide constructies illegale constructies, werkgevers maken gebruik van het in het VWEU vastgelegde vrij verkeer van diensten en werknemers. Vervolgens werd ingegaan op de handhavingsrichtlijn, de richtlijn die ingevoerd is met duidelijke richtlijnen om postbusondernemingen te kunnen opsporen, inclusief een monitoringsysteem. Aangezien deze richtlijn nog in Nederland geïmplementeerd dient te worden zijn er nog geen resultaten bekend. Inmiddels is de Wet Aanpak Schijnconstructies aangenomen in de Tweede Kamer en zijn er afspraken met de Cypriotische regering gemaakt die een duidelijk signaal afgegeven aan de bedrijven die zich van malafide constructies bedienen. Als vierde heb ik een aantal casusposities doorgenomen. Uit de besproken casus kwamen een aantal zaken naar boven. Ten eerste: welke van de twee soorten regelgeving met betrekking tot de aanwijsregels voor de sociale zekerheid van kracht is. Is dit het Rijnvarendenverdrag of Verordening (EG) nr. 1408/71? Zolang dit niet duidelijk is zorgt dit voor de werknemer voor een ongewenst onzekerheid. Ten tweede: welk recht is van toepassing, is de term substantieel deel wel hanteerbaar in de grensoverschrijdende binnenvaart? Toepassing van dit criterium zorgt ervoor dat zowel de binnenvaartondernemingen als de nationale administratie tegen praktisch onoverkomelijke beheersproblemen aanlopen. Ten derde: de onduidelijkheid over de vestigingsplaats van de onderneming i.v.m. de toepassing van de aanwijsregels van de sociale zekerheid. Het Rijnvarendenverdrag heeft de term exploitatie opgenomen in de regelgeving ter verduidelijking van de vestigingsplaats van de onderneming. Tenslotte kan mogelijk geconcludeerd worden na de uitspraken van het HvJ in de zaken Viking en Laval dat het beginsel van het vrij verkeer, de vrije markt prevaleert boven de sociale bescherming van werknemers. Vakbonden moeten bij het voeren van acties rekening houden met het recht op vrije vestiging van bedrijven in de Europese Unie. In de zaken Viking en Laval heeft de altijd aanwezige spanning tussen de sociale en de economische dimensie van de interne markt extra reliëf gekregen door de combinatie met het recht op collectieve actie ter bescherming van werknemers. Volgens het Hof mogen vakbonden voor tijdelijk op het grondgebied werkzame werknemers proberen gunstiger arbeidsvoorwaarden af te dwingen, maar die voorwaarden mogen niet verder gaan dan de door de overheid via wet of algemeen verbindend verklaring vastgestelde regelingen, noch andere aangelegenheden betreffen dan die genoemd in de Detacheringrichtlijn. Het beschermingsniveau dat verlangd mag worden van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen is dus beperkt tot een limitatieve lijst van thema’s, althans voor zover deze in de lidstaat van ontvangst in wettelijke bepalingen en/of algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten zijn vastgelegd. Vanuit Europees arbeidsrechtelijke en internationaal-privaatrechtelijke optiek en Europees perspectief worden er vraagtekens gezet bij de omarming van loonconcurrentie als motor van de interne markt.
URI: http://hdl.handle.net/1820/6340
Appears in Collections:Master of Laws

Files in This Item:
File Description SizeFormat 
klaver rh.pdf430.97 kBAdobe PDFView/Open


Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.