Open Universiteit

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/7750
Title: De verschoonbaarheid van nieuwe schulden binnen de Wsnp
Authors: Geertsma-van Ooijen, C.E.M.
Keywords: bovenmatige
nieuwe
schulden
Wsnp
schuldsaneringsregeling
toets
Issue Date: 2016
Publisher: Open Universiteit
Abstract: Met de introductie van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) heeft de wetgever onder meer beoogd om de schuldenaar met een problematische schuldensituatie een kans te bieden op een zogenoemde schone lei, zodat de schuldenaar een nieuwe, schuldenvrije start kan maken. Het is echter niet in overeenstemming met de Wsnp dat de schuldenaar enerzijds een schone lei verkrijgt voor zijn bestaande schuldenlast en anderzijds tijdens de schuldsanerings¬regeling nieuwe schulden laat ontstaan. De rechtvaardiging voor de schone lei ten opzichte van de oorspronkelijke schuldeisers zou hiermee wegvallen. Zijn de nieuwe schulden bovenmatig, dan vormt dit een zelfstandige grond om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen op grond van artikel 350 lid 3 sub d Fw. De schuldenaar heeft dan ook een verplichting om geen bovenmatige nieuwe schulden te laten ontstaan. Alhoewel er sprake is van een verplichting, heeft de wetgever niet de bedoeling gehad om deze verplichting op dezelfde wijze te toetsen als de verplich¬tingen, waarop artikel 350 lid 3 sub c Fw ziet. Artikel 350 lid 3 sub d Fw is niet voor niets als een zelfstandige beëindigingsgrond opgenomen en anders geformuleerd. Uit de bestudeerde jurisprudentie komt naar voren dat de rechter bij de beslissing ex artikel 350 lid 3 Fw (in algemene zin) veelal de verwijtbaarheid gebruikt als toetsingsmaatstaf. Deze verwijtbaarheidstoets staat niet ter discussie bij de toets ex artikel 350 lid 3 sub c Fw. In het kader van artikel 350 lid 3 sub d Fw sluit dit echter niet aan bij de bedoeling van de wetgever. Op de eerste plaats kan dit uit de formulering zelf worden herleid, nu enkel blijkt dat de rechter dient te toetsen of de schulden nieuw zijn en of de schulden bovenmatig zijn. Het feit dàt er bovenmatige nieuwe schulden zijn ontstaan, is in zoverre al verwijtbaar, ook al is de oorzaak van het laten ontstaan dit wellicht niet. Op de tweede plaats blijkt dit uit artikel 312 Fw. Nieuwe schulden, bovenmatig of niet, kunnen op grond van artikel 312 Fw tot een faillissement van de schuldenaar leiden. Gedrag, goede trouw, of verwijtbaarheid spelen in dit kader géén rol. Op de derde plaats zijn in 2008 een aantal bepalingen in de Wsnp gewijzigd. Zo is bijvoorbeeld artikel 350 lid 3 Fw aangescherpt, in die zin, dat de discretionaire bevoegdheid van de rechter uit lid 3 is geschrapt en de beëindiging meer dwingend¬rechtelijk is voorgeschreven, indien één van de beëindigingsgronden zich voordoet. In 2008 is voorts het gewijzigde artikel 288 lid 2 sub d Fw aan de wet toegevoegd. Uit de tekst van deze bepaling blijkt onder meer dat de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub d Fw kan eindigen, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen. Dus ook wanneer de schuldenaar geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de oorzaak van de bovenmatige nieuwe schuldenlast, kan dit leiden tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsanering. Uit de wetsgeschiedenis volgt niet expliciet hoe artikel 354 Fw moet worden toegepast wanneer er gedurende de schuldsaneringsregeling bovenmatige nieuwe schulden zijn ontstaan. De toets ex artikel 354 Fw ziet op de verplichtingen en betrekt het voorkomen van bovenmatige nieuwe schulden niet in de toets, zoals bij artikel 350 lid 3 Fw wel het geval is. Evenmin kan uit de wetgeschiedenis worden afgeleid in hoeverre er aansluiting moet worden gezocht bij een aantal verbintenisrechtelijke bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, indien de schuldenaar bovenmatige nieuwe schulden laat ontstaan. Bij een aantal uitgangspunten zou mogelijk aansluiting kunnen worden gezocht. Op grond van de bestudeerde jurisprudentie ex artikel 350 Fw en 354 Fw kan worden geconcludeerd dat niet altijd dezelfde (eenduidige) wijze wordt getoetst in hoeverre bovenmatige nieuwe schulden, die gedurende de schuldsaneringsregeling ontstaan, toelaatbaar zijn. Veelal wordt getoetst of de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het laten ontstaan van de nieuwe schulden en/of de bovenmatige nieuwe schulden aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. In een voorkomend geval kan een schuldenaar, die bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan, de schuldsaneringsregeling eindigen met een schone lei. Deze bovenmatige nieuwe schuldenlast wordt evenwel niet gesaneerd (valt niet onder de werking van de schone lei) en wordt in zoverre wel aan de schuldenaar toegerekend. Gezien het bovenmatige karakter van de schulden ziet de schuldenaar zich na afloop van de schuldsaneringsregeling nog steeds geconfronteerd met een problematische schuldensituatie. Hierdoor wordt de belangrijkste doelstelling van de Wsnp niet behaald, namelijk een schuldenvrije toekomst. De schuldenaar is van de regen in de drup beland! Van belang is daarnaast dat deze schone lei aan de oorspronkelijke schuldeisers moeilijk is uit te leggen. De doelstelling van de regeling is immers niet behaald, terwijl de schuldeisers geen verhaal meer hebben, in tegenstelling tot de nieuwe schuldeisers. Artikel 354 Fw zou op dezelfde wijze moeten worden toegepast als artikel 350 lid 3 Fw en wel op de hiernavolgende wijze. Is er sprake van een schending van een van de overige verplichtingen, dan kan aansluiting worden gezocht bij artikel 350 lid 3 sub c Fw. Is er sprake van een bovenmatige nieuwe schuldenlast, dan dient artikel 354 Fw in het licht te worden bezien van artikel 350 lid 3 sub d Fw en dienen bovenmatige nieuwe schulden in beginsel tot een beëindiging van de schuldsaneringsregeling te leiden (zonder een verlening van de schone lei). De schuldenaar is alsdan toerekenbaar tekort geschoten, omdat hij bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Ook indien de schuldenaar hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Zijn de nieuwe schulden gedurende de schuldsaneringsregeling nog in te lopen, dan kan de schuldsaneringsregeling in beginsel worden verlengd ex artikel 349a Fw. Van bovenmatigheid is dan geen sprake. De schuldenaar, die bovenmatige nieuwe schulden laat ontstaan, lijkt het meest te zijn gebaat bij een beëindiging ex artikel 350 lid 3 sub d Fw. Artikel 288 lid 2 sub d Fw biedt immers de mogelijkheid om bovenmatige nieuwe schulden, met een doorbreking van de zogenoemde tienjaarstermijn, via een nieuwe toelating onder de werking van de schone lei te brengen. Dit is slechts mogelijk, aldus de bepaling, indien de (oorzaak van de) bovenmatige nieuwe schulden gedurende de eerdere schuldsanerings¬regeling niet aan de schuldenaar waren toe te rekenen en de eerdere regeling is beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub d Fw. Artikel 288 lid 2 sub d Fw zou moeten kunnen worden toegepast bij een beëindiging zonder schone lei ex artikel 354 Fw (mits de bovenmatige nieuwe schulden niet toerekenbaar/verwijtbaar zijn ontstaan), maar de wetgever wenst de gronden, waarop de tienjaarstermijn kan worden doorbroken, niet uit te breiden. De hiervoor geschetste zienswijze sluit aan bij de bedoeling van de wetgever. Bovendien lijkt de schuldenaar, die niet verwijtbaar bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan, hierbij ook meer te zijn gebaat. Ten slotte wordt op deze wijze meer recht gedaan aan de positie van de oorspronkelijke schuldeisers.
URI: http://hdl.handle.net/1820/7750
Appears in Collections:Master of Law

Files in This Item:
File Description SizeFormat 
geertsma-van ooijen, c.e.m..pdf198.49 kBAdobe PDFView/Open


Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.