Open Universiteit

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1820/7761
Title: Is Vrouwe Justitia ook blind ten aanzien van mijn bijzondere kind?
Other Titles: De wettelijke mogelijkheden tot ouderparticipatie als counter balance voor de te verwachten problemen omtrent verklaringen en gedrag bij de autistische stoornis binnen het strafrechtelijk voorbereidend onderzoek nader bekeken.
Authors: Hazekamp, E.
Keywords: jeugdstrafrecht
ouderparticipatie
autisme
Issue Date: 2016
Publisher: Open Universiteit
Abstract: Zijn de wettelijke mogelijkheden voor participatie van de ouders/wettelijke vertegenwoordigers toereikend bij de vervolging van autistische jeugdigen - gelet op de delicten die zij plegen - als counter balance voor de te verwachten problemen omtrent verklaringen en gedrag van die jeugdigen tijdens het voorbereidende onderzoek? Met die onderzoeksvraag opent deze scriptie en vervolgens worden in de eerste twee hoofdstukken de kenmerken van autisme en de jeugdcriminologie van jeugdigen zonder en met autisme besproken. In de hoofdstukken drie tot en met zes worden in chronologische volgorde de instanties en de bijbehorende procedures besproken van de instanties die betrokken zijn bij het voorbereidende onderzoek. Het laatste hoofdstuk behandelt de keuze voor de strafrechtadvocaat voor jeugdigen. Deze scriptie wordt afgesloten met een conclusie waarin tevens de beantwoording van de onderzoeksvraag aan de orde komt. Het belangrijkste kenmerk van de autistische stoornis betreft de informatieverwerkingsproblematiek. Deze problematiek bestaat uit uiterlijk niet waarneembare processen die zich in de hersenen voltrekken. Tijdens het voorbereidende onderzoek spelen een aantal factoren een rol (zoals overprikkeling en onverwachte gebeurtenissen) die autismespecifiek gedrag verergeren en waarbij dat gedrag zelfs kan omslaan in agressie. Bij de jeugdcriminologie zoals die wordt toegepast op jeugdigen met en jeugdigen zonder autisme valt op dat bij autistische jeugdigen sprake is van andere daderkenmerken. De autistische dader opereert vaak alleen en pleegt vaker delicten jegens personen, waarbij agressie een grote rol speelt. Daarbij komt dat er vier factoren zijn die bij autistische jeugdigen tot strafbaar gedrag kunnen leiden. Deze factoren zijn: een verhoogde sociale naïviteit, de doorbreking van vaste rituelen, slechte sociale vaardigheden en obsessieve interesses. Bij het verhoor door de politie is er bij autistische jeugdigen een grotere kans op het afleggen van een onbetrouwbare verklaring. Dit komt onder andere door: een gebrekkig inzicht in het eigen handelen, echolalie (het napraten van een andere persoon), het moeite hebben met veel informatie en/of vragen tegelijkertijd en een slecht tijdsbesef en/of kortetermijngeheugen. Ten aanzien van de ouderparticipatie spelen er een aantal knelpunten bij de toepassing van dwangmiddelen een rol. Zo was er bij de aanhouding geen wettelijke plicht om de ouders/wettelijke vertegenwoordigers te informeren en kon er zelfs volstaan worden met het op de hoogte brengen van een huisgenoot. Inmiddels is er een wetswijziging geweest waardoor de politie alleen de ouders/wettelijke vertegenwoordigers op de hoogte mag en moet brengen. Ook de keuze voor een vertrouwenspersoon of een raadsman die de autistische verdachte tijdens het politieverhoor verhoor mag bijstaan, levert problemen op om een effectieve ouderparticipatie te kunnen realiseren. Er moet namelijk gekozen worden voor óf een persoon waarbij de autistische jeugdige zich op zijn gemak voelt óf een voor de autistische jeugdige wildvreemde juridisch geschoolde raadsman die zijn juridische belangen veel beter kan behartigen. Bij de voorgeleiding aan de rechter-commissaris hebben de ouders/wettelijke vertegenwoordigers geen wettelijk aanwezigheidsrecht. Ook is er geen standaardprocedure om de ouders/wettelijke vertegenwoordigers in te lichten en zo op de hoogte te brengen van de datum en het tijdstip van de voorgeleiding. Als de ouders/wettelijke vertegenwoordigers al op de hoogte zijn van het moment van voorgeleiding dan hebben zij vaak maar een zeer beperkte spreektijd. Op grond van het Kwaliteitskader hebben de ouders/wettelijke vertegenwoordigers het recht om een gesprek te hebben met de onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming die onderzoek doet naar hun (autistische) kind. Bij de rapportage Pro Justitia is er zelfs een wettelijke plicht om de rapportage door de ouders/wettelijke vertegenwoordigers te laten inzien en met hen te bespreken. Probleem is echter dat deze rechten van de ouders/wettelijke vertegenwoordigers leeftijdsafhankelijk zijn. Bij jeugdigen ouder dan 16 jaar kan de jeugdige zelf de inzage- en bespreekplicht blokkeren. De Jeugdreclassering heeft in haar Handboek interne richtlijnen opgesteld voor de omgang met autistische jeugdige verdachten en hun ouders/wettelijke vertegenwoordigers. Als er echter nog geen diagnose is gesteld in deze fase, dan hebben de ouders/wettelijke vertegenwoordigers geen participatierecht binnen het diagnostische traject. Zo kunnen de ouders/wettelijke vertegenwoordigers geen invloed uitoefenen op de keuze voor de persoon die het diagnostisch onderzoek uitvoert. Tot slot komt de strafrechtadvocaat voor jeugdigen aan bod. Inmiddels waarborgt de overheid middels strenge kwaliteitseisen dat niet iedere strafadvocaat wordt toegelaten tot jeugdstrafzaken. Toch zal de keuze voor de advocaat vooral afhangen van de financiële draagkracht en het psychologische inzicht van de ouders/wettelijke vertegenwoordigers van de autistische jeugdige. In de conclusie wordt als antwoord op de onderzoeksvraag gegeven dat de huidige wettelijke mogelijkheden tot ouderparticipatie ontoereikend zijn om als counter balance te kunnen dienen voor de (doorgaans zware) delicten die autistische jeugdigen plegen. Bij de rechter-commissaris is er gevaar voor willekeur omdat de ouderparticipatie afhankelijk is van de handelswijze van het desbetreffende arrondissement. Bij de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering zijn de ouderparticipatiemogelijkheden slechts gebaseerd op interne richtlijnen die geen recht in de zin van art. 79 RO vormen en dus ook niet juridisch afdwingbaar zijn. Daarom wordt de aanbeveling gedaan dat er een onderzoek komt naar de effecten van juridisch afdwingbare richtlijnen bij de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering. Voor de voorgeleidingsfase bij de rechter-commissaris stelt de auteur voor om een wetsartikel op te nemen dat een aanwezigheidsrecht creëert voor de ouders/wettelijke vertegenwoordigers.
URI: http://hdl.handle.net/1820/7761
Appears in Collections:Master of Laws

Files in This Item:
File Description SizeFormat 
hazekamp, e..pdf705.41 kBAdobe PDFView/Open


Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.